Dichter van alledag

Kees Winkler: Verzamelde gedichten. Thomas Rap, 749 blz. geb. ƒ 49,50

'Poëzie is de vakantie van de filosofie,' zei Jan Hanlo. Inderdaad, echoot Kees Winkler in een essay achter in zijn Verzamelde gedichten: 'bij de presentatie van de woorden in een gedicht gaat het erom een kleine filosofie weg te geven.'

Dat is geen hooggestemde opvatting over het dichterschap. Na lezing van de voorgaande bijna zevenhonderd pagina's gedichten verwacht je als lezer ook geen hoogdravendheden meer. De poëzie van Kees Winkler is bij uitstek het werk van een 'minor poet'. In menig gedicht beschrijft hij zichzelf ook als zodanig. Hij is een dichter van het alledaagse leven, voor wie het dichten ook een alledaagse bezigheid is. Een dichter over huwelijk, huis en tuin in Buitenveldert, het Herseninstituut, vakanties in Soeren, poes Eefje, ziek zijn en ouder worden. Een dichter bij wie een politiek bedoeld sonnet beginnen mag met 'Ik steek een sigaar op en maak een gedicht'.

De lichtvoetigheid ten spijt, is en blijft het poëzie maken voor Winkler echter een ernstige bezigheid. Hij is dan ook woedend wanneer het literaire Productiefonds geen geld wil steken in zijn Verzameld Werk. 'Omdat subsidie is geweigerd,' overdrijft hij dan, 'ben ik als een paard dat steigert / steigert als een Lippizaner / in een volle Tweede Kamer / tegen het cultuurbeleid / van de grove meerderheid.' En vers na vers maakt hij zich zorgen over zijn poëtische taak, om die in een volgend gedicht weer te relativeren, zoals in Aldus:

Als je maar stug doordicht

word je vanzelf klassiek

en dat streef ik niet na

Het moet een aardigheidje blijven

iets waar je plezier in hebt

en niet al te serieus

Het moet zó zijn

dat als je het geheel overziet

je zegt: het is nog waar ook

Herinnert dit vers aan de poëzie van Buddingh', andere gedichten suggereren invloeden van Vroman en Dèr Mouw. Elk van deze voorgangers is een 'grotere' dichter, maar in het voordeel van Kees Winkler mag gelden dat ook zijn pretenties kleiner zijn dan die van vrijwel elke andere poëet. Zelfs als hij op rijm aan het oreren slaat over zijn geloof in het communisme of een godsdienst als de Isis-cultus of het deïsme, blijft zijn tekst in alle bevlogenheid toch aards.

'Als ik er niets voor doe,' begint het gedicht Pretentieloos, 'komt God vanzelf naar me toe / in de vorm van zon op herfstbladeren / en de geur van het najaar.' En daarin ligt de kern van Winklers dichterschap: in zijn verbazing over de natuur en haar wonderlijke werking. Vrouwen zijn een essentieel doelwit van die verbazing. De mooiste gedichten van Winkler richten zich dan ook op dat deel van de schepping: op zijn eigen vrouw Judy, op Diana, op mevrouw van Puffelen, of op het meisje Nanneke in Notitie:

Om het meisje Nanneke

in de nek te zoenen

moet je Hans heten

en veel jonger zijn

Hoe dun zijn rijmen ook kunnen zijn, het is om dit soort notities dat de poëzie van Winkler sympathie wekt.