De onstuitbare islamisering van Noord-Afrika

Vrijwel dagelijks komen uit Algerije berichten over terreurdaden. Sinds juni zijn al meer dan duizend slachtoffers van veelal moslim-extremistische aanslagen gemeld. De Algerijnse burgeroorlog is, aldus Sami Naïr, uitdrukking van structurele veranderingen die zich voltrekken in vrijwel alle landen ten zuiden van de Middellandse Zee. De veranderingen kunnen uitmonden in drie scenario's: elitaire democratie, religieus populisme of militaire dictatuur. Maar in alle gevallen wordt de opmars van de islam bevorderd door werkloosheid en sociale uitsluiting.

In de jaren '60 en '70 ontvingen de landen ten zuiden en oosten van de Middellandse Zee enorme leningen voor lange-termijninvesteringen. Het kon niet op, en het verlenen van politiek gebonden economische hulp werd ook nog gestimuleerd door de Oost/West-tegenstelling. De snelle monetarisering van de wereldeconomie - zelf oorzaak en gevolg van de vertraagde expansie - bracht een enorme koerswijziging teweeg in het verstrekken van leningen en zorgde voor verscheidene schuldaflossingscrises, met name in het begin van de jaren '80 (Marokko, Algerije, Tunesië, Turkije, enz.).

Het financieringsaanbod richtte zich vanaf dat moment vooral op de meer rendabele gebieden, en steeds minder op de weinig ontwikkelde gebieden, terwijl de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) flink uitvoeren tegen regeringen die teveel geld uitgaven. Zodoende ontstonden er in de jaren '80 overal herstructureringsplannen.

Deze liberalisering heeft een aantal moeilijk te beheersen structurele omwentelingen op gang gebracht. Er is nu in het hele gebied een drieledig proces te zien: sterke sociale differentiatie binnen de middenklassen; langzame, diepgaande verandering van de sociale basis van de politieke machthebbers; algehele legitimiteitscrisis van de overheid. De toekomst van deze maatschappijen hangt voor een groot deel af van de wijze waarop deze processen worden aangepakt.

Binnen de middenklassen valt overal een crisis in de sociale mobiliteit waar te nemen. De groepen die traditiegetrouw gebonden zijn aan regeringen die streven naar modernisering - onderwijsgevenden, technici, werknemers in de dienstverlenende sector, bureaucraten - raken meer en meer gemarginaliseerd, terwijl nieuwe, tot vrije beroepen behorende groepen opkomen: bijvoorbeeld advocaten, artsen en handelaren.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit de crisis die al sinds het begin van de jaren '80 heerst onder de ingenieurs en de wetenschappelijk geschoolde kaders, die tot op dat moment bij uitstek door de overheid geprivilegieerd werden. Het scholingsbeleid richtte zich toen hoofdzakelijk op het uitbreiden van de wetenschappelijke en technologische studierichtingen, waarbij aan de studenten beurzen en financiële steun werd verstrekt om zich in het buitenland te bekwamen. Bij hun terugkeer konden ze rekenen op zeer bevoorrechte functies. Op die manier werd in deze landen een omvangrijk wetenschappelijk geschoold kader in het leven geroepen dat veel groter was dan de behoefte.

Door de herstructureringsplannen in het begin van de jaren '90 zijn de status en de welvaart van deze beroepsgroepen onzeker geworden: dramatische verarming voor de meesten, onafgebroken koopkrachtvermindering, de noodzaak tot bijbanen, vastgelopen carrières, een kleine bevoorrechte minderheid die blijft zitten op hoge bestuurlijke, politieke of militaire functies en tenslotte een uitstroom naar het bedrijfsleven.

Deze omslag voltrok zich op hetzelfde moment dat de staatsbedrijven over gingen in particuliere ondernemingen, of gewoon gesloten werden, hetgeen de sociale positie van velen onzeker heeft gemaakt en voor veel jongeren uitsluiting betekent. Van 1992 af is de werkloosheid in Algerije voortdurend toegenomen. In 1995 was meer dan 28 procent van de beroepsbevolking werkloos, waarbij bijna 80 procent van de werklozen jonger was dan 30 jaar.

De opkomst van het economisch liberalisme heeft deze tweedeling nog versterkt. En de sociale marginalisering neemt toe naarmate de vraag naar werk groeit. Weliswaar is in Algerije, Tunesië, Marokko, Egypte en Turkije de gemiddelde bevolkingsgroei gedaald tot onder de grens van 3 procent over de periode 1990-1995, maar toch vormt het percentage jongeren een verschrikkelijke last voor de economie: in 1994 bestond de bevolking in Algerije voor 39 procent uit jongeren van minder dan 15 jaar, in Egypte voor 38 procent, in Marokko voor 37 procent, en in Syrië voor 48 procent.

Het meest opmerkelijke sociologische verschijnsel is het uiteenlopen van de belangen binnen de middenklassen, en vooral het in toenemende mate samengaan van de sociale eisen van de wetenschappelijk geschoolden en technici, met die van de groepen die economisch buitengesloten blijven. Het kaderpersoneel, de 'trots der natie', keert zich tezamen met de massa die nog in opleiding is tegen de overheid die hen in de steek heeft gelaten, en vindt daarbij materiële, politieke en ideologische steun bij de moslims.

Door de liberalisering van de economie is het integrerend vermogen van de maatschappelijke systemen verminderd en is de sociale differentiatie toegenomen. Het sociale beleid dat vroeger veelal de structurele werkloosheid aan het oog onttrok, is niet meer operationeel: de staat kan niet meer een hele sector onrendabele diensten in stand houden en emigratie, lange tijd voor al deze landen een belangrijke uitlaatklep, is niet meer mogelijk, zoals vijftien jaar geleden.

Dit uiteenvallen van de middenklassen brengt onvermijdelijk een verandering teweeg in de sociale basis van de machthebbers. Het tijdperk van de staat als moderniseerder werd vooral gekenmerkt door cliëntelisme van coherente aan de staatsapparaten gebonden groepen, die veel omvangrijker en belangrijker waren dan de kleine burgerij van de particuliere sector.

Maar nu ontkomen ook de middengroepen niet meer aan de algehele privatisering. Voor hen is de overheid niet meer de instelling waaraan ze hun middelen van bestaan ontlenen. Er zijn nieuwe sociaal-economische belangen aan het ontstaan. De elites die tot voor kort de politieke machtsposities bekleedden, beginnen zich op te splitsen in particuliere sociale groepen.

Er vindt een verandering plaats naar een bourgeoisklasse; in Marokko, Algerije, Tunesië, Egypte en Syrië hebben grote delen van de technocratische en bureaucratische elites zich omgevormd tot een ondernemersbourgeoisie die zich evenzeer richt op het particuliere kapitalisme als op de informele sector - en voor wie erefuncties en zwarte handel ongeveer hetzelfde betekenen.

Uit het werk van de socioloog Imco Brouwer en het proefschrift van Brahimi El Mili over de omvorming van de Egyptische politiek-bureaucratische elite in een economische elite van de particuliere sector blijkt, hoe ingrijpend deze verandering is. Het economische systeem in Egypte werkt uiteraard ten gunste van zeer nauwe banden tussen de geprivatiseerde economische sector - en de delen die aan privatisering onderhevig zijn - en de overheid.

Dankzij de herstructurering van de economie (infitah) ontstonden talrijke ondernemersverenigingen die als bemiddelaars optraden tussen de particuliere sector en de politieke machthebbers. Deze verenigingen fungeren nu als instrumenten voor overleg tussen de politieke machthebbers en de snel opkomende nieuwe ondernemersbourgeoisie, die samenwerkt met de overheid bij de omvorming van de economie. Deze bourgeoisie bestaat uit nakomelingen van de oude bourgeoisie (van voor het Nasser-tijdperk), een deel van Nasser-bureaucratie, de nieuwe generatie ondernemers, en vooral ook veel uit de Golf teruggekeerde migranten.

De rol van de vereniging van Egyptische ondernemers (EBA) is illustratief voor de verhouding tussen de overheid en deze nieuwe klassen. De in 1979 opgerichte EBA eiste van zijn leden ten minste tien jaar ervaring in een verantwoordelijke functie. Vandaar dat het ledenbestand zoveel verantwoordelijke politici en directeuren van overheidsinstellingen telt. Zoals Brahimi El Mili laat zien, zijn de mensen die nu aan het hoofd staan van de particuliere ondernemingen in Egypte, dezelfden als degenen die voorheen de leiding hadden in de overeenkomstige staatsbedrijven.

Tijdens de privatisering van meer dan 300 staatsbedrijven in 1992 werden 32 leden van de EBA benoemd in de raden van bestuur en de algemene vergaderingen van de ten behoeve van de herstructurering opgerichte holdings. Deze vereniging, alsook de verwante organisatie in Alexandrië (ABA), is belast met de coördinatie van onder meer Amerikaanse ontwikkelingsprojecten waarmee voor een periode van zeven jaar een bedrag van 10 miljoen dollar is gemoeid.

Dit geeft precies het wezenlijke aan van de huidige verandering: de politieke elites die binnen de staat de leiding hebben steunen steeds meer op de ondernemersbourgeoisie, ook al ontzien ze nog wel de traditionele middenklassen uit oogpunt van politieke stabiliteit. Zo wordt de algehele privatisering gesteund door zowel de kleine handelaren en de vrije beroepsbeoefenaren, als door de tot ondernemers omgevormde voormalige technobureaucraten. Er hebben steeds meer investeringen plaats in kleine en middelgrote bedrijven, terwijl het vroegere beleid waarbij de zware industrie werd gestimuleerd, is verlaten.

Deze overgang nu brengt in de desbetreffende landen een echte legitimiteitscrisis van de staat teweeg. De overheid is niet meer bij machte de politieke steun te verwerven van de omvangrijkste klassen in de samenleving en de klassen die bij de liberalisering baat zouden kunnen hebben, vormen slechts een minderheid.

In het klassieke geval probeert de staat dan uit de crisis voordeel te halen door het veranderen van de politieke spelregels. Nu kon voorheen in deze landen de staat nog betogen dat een autoritair systeem, een eenpartijstelsel of een gematigd 'pluralistisch' systeem, zoals in Marokko en Egypte, noodzakelijk was voor 'de ontwikkeling', want de staat verstrekte als tegenprestatie uitkeringen aan de klassen die zijn sociale basis vormden. Maar bij gebrek aan financiële middelen ziet de staat zich nu niet zelden geconfronteerd met harde eisen die vaak, zeker sinds het begin van de jaren '80, de vorm aannemen van de politieke roep om pluralisme en democratisering.

De elites aan de macht kregen vanaf dat moment ineens te maken met een moeilijk oplosbaar probleem: de economische verandering brengt een krachtige roep om politieke democratisering teweeg en tegelijkertijd groeit de sociale druk van de arme en uitgesloten klassen zozeer, dat het hele systeem wordt bedreigd. De elites waren geneigd de zo ontstane situatie het hoofd te bieden door versterking van de repressie. Dat model is te zien in Marokko, Algerije, Tunesië en Egypte. De nieuwe ondernemersbourgeoisie in die landen had liever een stabiele en autoritaire staat dan een pluralistische staat die niet geïnstitutionaliseerde politieke krachten, in de gedaante van de politieke islamitische beweging, de gelegenheid zou bieden democratisch aan de macht te komen.

Deze vooralsnog onoplosbare tegenstelling vormt de kern van de huidige overgangsfase. Sociologisch gezien blijkt hieruit het onvermogen van deze systemen om de verticale mobilisatie van de geïntegreerde klassen - anders gezegd hun streven naar verbetering van de eigen sociale positie en naar modernisering van het politieke systeem - te verenigen met de horizontale mobilisatie van de klassen die aan hun lot zijn overgelaten. Vandaar dat elitair-democratische regimes aan de macht komen. Daartoe hebben in feite uitsluitend de in het systeem geïntegreerde klassen toegang.

Bovendien moeten de Noord-Afrikaanse landen tegelijkertijd liberale markteconomieën op poten zetten, èn zorgen voor inpassing daarvan in een bredere regionale context. Echter, de invloed van hun hele politiek van intern gerichte, nationale of zelfs interregionale ontwikkeling (zoals de Union du Maghreb arabe) is maar zeer betrekkelijk.

De inpassing in de Europees-Mediterrane context, heeft plaats onder voorwaarden die door de Europese Unie worden gedicteerd. En beschikt deze over een bepaalde politiek ten aanzien van de landen ten zuiden van de Middellandse Zee? Van het antwoord op die vraag hangt namelijk de interne ontwikkeling in deze landen af. Want de dynamiek van het overgangsproces wordt bepaald zowel door interne mogelijkheden als door de steun - met name in termen van financiering en openstelling van de Europese markt - die deze landen van het buitenland ontvangen.

Wat betreft de interne ontwikkeling van de hier besproken politieke systemen zijn voor de nabije toekomst drie scenario's te voorzien: elitaire democratie (Marokko, Tunesië, Egypte), conservatief religieus populisme en militaire dictatuur (Algerije, Syrië).

Het scenario van elitaire democratie betekent dat het overgangsproces ondanks alles uitmondt in een situatie van betrekkelijk sociaal evenwicht. Daarvoor gelden een paar voorwaarden: de differentiatie binnen de elites mag niet leiden tot een plotselinge breuk (zoals in Algerije tussen de militaire elite en de technobureaucraten); het overgangsproces moet behoorlijk snel verlopen: de staat, zelfs als deze een enigszins democratisch regime instelt, moet niet aarzelen om verzet krachtig de kop in te drukken. Als drager van een snelle liberalisering moet de staat ook zorgen voor afslanking van de staatsapparaten en voor terugtreding van de politiek.

Om dat doel te bereiken beschikken de groepen die aan de macht zijn over een aantal bruikbare troefkaarten: de afwezigheid van georganiseerde sociale machten (behalve de moslimbeweging), een informeel economisch systeem dat als veiligheidsklep functioneert, uitbreiding van de corruptie die ernaar tendeert een structureel element van de politieke systemen te worden. Dit scenario zou zich, met hier en daar de medewerking van 'linkse' krachten, vooral in Marokko, Egypte en Tunesië kunnen voordoen. Maar het is niet uitgesloten dat het stukloopt op sociaal verzet.

Het conservatief religieus populistisch scenario betekent een overgang naar de markteconomie met omverwerping van de bestaande politieke machtsstructuren. Als mogelijk traject moet het voorbeeld van Iran voor ogen worden gehouden: daar is het bestaande politieke machtssysteem volledig uiteengevallen tengevolge van het verdwijnen van de cohesie binnen de zittende elites, waardoor Khomeiny zijn overwinning kon behalen.

In het Middellandse-Zeegebied zijn er maar een stuk of drie landen waar deze situatie zich zou kunnen herhalen: Algerije, Egypte en misschien Marokko. Er zou dan een alliantie kunnen ontstaan tussen de uit de middenklassen afkomstige gedeclasseerde elites en de allerlaagste groepen van de bevolking, naar het model van de islamitische beweging in Algerije.

Dat betekent echter niet dat de overgang naar de markteconomie geblokkeerd zal worden. Het conservatief religieus populisme is helemaal niet tegen de markteconomie en kan zelfs een zeer betrouwbaar middel zijn om die te realiseren (zie het voorbeeld van Iran). Maar de prijs - het verdwijnen van grote delen van de heersende elites - zal voor de zittende regimes erg hoog zijn.

Het scenario van de 'openlijke dictatuur' bestaat uit een zeer harde reactie van het leger op de verzwakking van de heersende elites, zoals in Algerije. Het systeem koerst dan in de richting van het type 'liberale dictatuur', waar de Amerikaanse essayist Samuel Huntington in de jaren '60 zo naar verlangde om de communistische dreiging in de Derde Wereld te bestrijden. Het leger institutionaliseert op die manier een burgeroorlog waaraan alleen maar een einde kan komen door de volledige vernietiging van één van de partijen.

Dit scenario kent ook nog een variant, de synthese, naar Soedanees model, van conservatief religieus populisme en militaire dictatuur, waarmee voor landen als Egypte en Algerije rekening moet worden gehouden. Voor Algerije zou deze synthese een mogelijkheid bieden uit de crisis te komen, ingeval de huidige strategie van de militairen - trachten de zittende machthebbers te legitimeren met behulp van gedeeltelijke democratie uitsluitend voor geïnstitutionaliseerde politieke machtsgroepen - mislukt.

Het is immers niet uit te sluiten dat de Algerijnse militairen en moslim-fundamentalisten over de hoofdkwestie - staatsgodsdienst en economisch liberalisme - overeenstemming bereiken, gezien bijvoorbeeld de vroegtijdige vrijlating van de oprichter van het FIS, Abassi Madani. Maar daarvoor zijn veranderingen binnen het leger noodzakelijk (de huidige legerleiding zou plaats moeten maken voor jonge religieus-gebonden officieren), alsmede een grondige verwijdering van de meest fanatieke elementen, type GIA (Gewapende Islamitische Groep), uit de populistische moslimbeweging (vaak gebruikt door geheime diensten).

Waarschijnlijk zullen alle landen ten zuiden van de Middellandse Zee, ongeacht welk scenario waar de overhand krijgt, een periode van sterk autoritair bestuur doormaken. Men kan ervan op aan dat als in de Arabisch-islamitische wereld vrije democratische verkiezingen zouden worden gehouden, de islam vrijwel overal moeiteloos zou winnen om vervolgens despotische regimes te vormen. Maar aan de andere kant zullen de groepen die nu de macht hebben eveneens, ongeacht hun 'democratische' beloftes, langs autoritaire weg de overgang naar 'liberale modernisering' moeten bewerkstelligen.

    • Sami Naïr