De Engelse Droom in literatuur en popmuziek; Et in Arcadia Oasis

Michael Bracewell: England Is Mine. Pop Life in Albion from Wilde to Goldie. Harper Collins, 246 blz. ƒ 65,60

Denkend aan Engeland ziet hij roodbruine huisjes, winkels met fish 'n chips en stoere arbeiders met vakantie in regenachtig Blackpool. Steven Patrick Morrissey, bekend geworden als zanger en tekstschrijver van de jaren-tachtiggroep The Smiths, geldt als de Engelse popster par excellence - een moderne tegenhanger van Kinks-zanger Ray Davies die in de jaren zestig de 'well-respected men' en 'misters Pleasant' van het perfide Albion vereeuwigde. Uit Morrissey's teksten spreekt nostalgie naar een Engeland dat nooit bestaan heeft, naar een provinciaal paradijs waarin de lagere klassen trots door het leven gingen en zelfs de misdadigers respectabel waren. 'England is mine' zong hij in het liedje 'Still Ill'; wat dicht in de buurt komt van een beroemde uitspraak van de toneelschrijver Noël Coward: 'I am England, and England is me.'

Morrissey, de koning van de 'Englishness', is een van de kopstukken van England Is Mine - Pop Life in Albion from Wilde to Goldie. Volgens de romanschrijver Michael Bracewell, die met deze studie debuteert als essayist, was het Morrissey die in de jaren tachtig de Engelse popmuziek weer terugvoerde naar alles wat typisch Engels was. Zowel de basisinstrumenten van zijn groep (drum-bas-gitaar in plaats van synthesizers) als de onderwerpen waarover hij zong (Ealing-komedies en George and Mildred in plaats van Jeanne d'Arc of de straten van Wenen) streken de tijdgeest tegen de haren. Niet voor niets noemde hij zijn groep The Smiths, ter onderscheid van modieuze popnamen als Ultravox en Orchestral Manoeuvres in the Dark. Bij Morrissey kregen Engelse thema's weer een kans; in dat opzicht was hij de wegbereider voor Pulp, Blur en Oasis, de Britpop-groepen van de laatste jaren die om het hardst hun 'English ordinariness' onderstrepen.

England Is Mine is in de eerste plaats een boek over wat Bracewell, met een verwijzing naar de veel bekendere American Dream, aanduidt als de Engelse Droom. En zoals de ondertitel al suggereert, is dat een droom die al bestond voordat Tommy Steele en Cliff Richard de popmuziek naar Engeland haalden. De romans van E.M. Forster en Evelyn Waugh, de symfonieën van Edward Elgar en Vaughan Williams, de films van Powell & Pressburger, de kinderboeken van C.S. Lewis (The Chronicles of Narnia) en Kenneth Grahame (The Wind in the Willows) - stuk voor stuk getuigen ze van een nostalgisch verlangen naar 'Ye Olde England'. Een vriendelijk Arcadië dat zo mooi wordt opgeroepen in het eerste deel van Waughs Brideshead Revisited (1945), waarin de hogere middenklasser Charles Ryder onder het motto 'Et in Arcadia ego' vertelt over zijn dagen in universitair Oxford en op het familiebuiten van zijn vriend Sebastian.

Onder vuur

Zoals het grenzeloze optimisme van The American Dream door kunstenaars van Melville tot Coppola gerelativeerd en ontkracht is, zo ligt ook de Engelse Droom sinds jaar en dag onder vuur. Bracewell laat zijn verhaal beginnen bij Oscar Wilde, een rebel tegen wil en dank die ondanks zijn Ierse afkomst een hoge mate van 'Englishness' etaleerde en tegelijkertijd de aanval opende op de bekrompenheid van de Britse samenleving in de late negentiende eeuw. Wilde's houding, te omschrijven als een mengeling van liefde en verachting, maakte school onder modernistische schrijvers uit het Interbellum; de geruchtmakendste waren Wyndham Lewis, die door middel van een radicale literair-maatschappelijke beweging, het vorticisme, de ingeslapen Britten wilde wakker schudden, en W.H. Auden, die in gedichten als 'Mad Dogs and Englishmen' en vooral 'Letter to Lord Byron' zijn wit in stelling bracht tegen het verval van Engeland: 'Mother looks odd today dressed up in peers,/ Slums, aspidistras, shooting-sticks and queers.'

Na de Tweede Wereldoorlog, zo stelt Bracewell, was kritiek op het moderne en weinig op Arcadië lijkende Engeland aanvankelijk het domein van de cinema: de komische films die op een nauwelijks satirisch te noemen manier de draak staken met nationale ondeugden als hypocrisie en snobisme, en de zogeheten kitchen-sink dramas waarin zich de problemen weerspiegelden van een snel veranderende samenleving. Maar al gauw werd de fakkel overgenomen door de popmuziek. De young soul rebels die onder diverse namen - mods, rockers, punks - hun kritiek spuiden op de verkwanseling van het Engels Arcadië, waren de geestelijke erfgenamen van het 'love and loathe' van Oscar Wilde. En zoals zovele revolutionairen vóór hen was hun uitvalsbasis het veilige suburbia, dat in naoorlogs Engeland voor de brave burgerij het surrogaat voor Arcadië was geworden.

Natuurlijk is de Engelse Droom, de hang naar 'merry old England', veel ouder dan een jaar of honderd. Charles Dickens en Thomas Hardy schreven dikke en verholen nostalgische romans over de chaos die de modernisering van Engeland in de negentiende eeuw met zich meebracht; in de tuinarchitectuur was het Arcadisch landschap al in de achttiende eeuw het ideaal; en wie de eerste projecties van Engeland als lieflijk groen paradijs wil vinden, kan gemakkelijk teruggaan tot de gedichten van Edmund Spenser en de stukken van Shakespeare. Dit laatste heeft Bracewell niet gedaan, en dat is maar goed ook, want het zou zijn boek werkelijk oeverloos hebben gemaakt.

England Is Mine is toch al een tamelijk breed boek. Bracewells associatieve geest en zijn verborgen credo dat alles met alles samenhangt, maken dat zijn boek uitwaaiert naar een aantal belangrijke aspecten van de Engelse popmuziek die slechts zijdelings te maken hebben met zijn centrale these. Hij schrijft met veel inzicht over de tegenstelling Noord-Zuid in de Engelse cultuur (die sinds tot en met de rivaliteit tussen Oasis uit Manchester en Blur uit Londen een rol speelt in de popmuziek), en over de invloed van David Bowie's androgyne podiumcreaties (Ziggy Stardust!) op de Engelse samenleving van de jaren zeventig. Maar de verschillende hoofdstukken sluiten zo weinig op elkaar aan dat je het gevoel krijgt dat Bracewell in een over-ambitieuze bui een aantal los gepubliceerde artikelen bij elkaar heeft geveegd.

Braaf jongetje

Een van de beste hoofdstukken van England Is Mine is niet toevallig hetgene dat het mooist aansluit op Bracewells ontleding van de arcadische tendensen in de Engelse popmuziek. In het barok getitelde 'Crawley Articulate: The Sound of the Suburbs' beschrijft hij de ontwikkeling van de buitenwijken, en de paradox dat juist in die oases van rust het nonconformisme van sommige popmuzikanten kon opbloeien. Zijn voorbeeld is Robert Smith, de zanger van de new-wavegroep The Cure, die in de jaren tachtig met groot commercieel succes uiting gaf aan de verveling en de onvrede van de young soul rebels in suburbia. Zijn mysterieus geformuleerde nostalgie naar het Engeland van vóór de buitenwijken - de eerste hit van The Cure heette 'A Forest' - was volgens Bracewell een vorm van leunstoel-engagement. Het was de rebellie van een braaf jongetje dat zich beschermd wist door de de omgeving die hij zo verafschuwde.

Toch lijden ook de passages over Robert Smith, de salonpunk uit Crawley, aan het belangrijkste manco van England Is Mine: de overspannen stijl, die gekenmerkt wordt door een overdosis ingewikkelde woorden van Latijnse afkomst. Bracewell is een postmodernist die high en low culture, popmuziek en proza, film en poëzie in elkaar laat overlopen, liefst zelfs binnen één alinea. Soms levert dat goed beargumenteerde combinaties op, zoals wanneer Morrissey's impact op de Engelse pop wordt vergeleken met die van John Osborne (Look Back in Anger) op het Britse toneel van de jaren vijftig. Te vaak leidt het tot wilde pseudo-filosofietjes en gratuite vergelijkingen. Bij Bracewell is Kate Bush de Virginia Woolf van de jaren zeventig, wordt Siouxsie van de Banshees de Helena van de punk ('the face that launched a thousand clubs'), en geldt de derde lp van Dexy's Midnight Runners als de Finnegans Wake van de Engelse popmuziek.

In zijn baanbrekende studie Sound Effects (1983) beschreef de rocksocioloog Simon Frith het verschil tussen schrijvers over popmuziek in Amerika en in Engeland. Amerikanen waren cultuurcritici, die de muziek uitkamden op symbolische betekenis; Engelsen waren popfans die in een geïsoleerde cultwereld leefden. Het is duidelijk dat Bracewell het voorbeeld van invloedrijke Amerikanen als Greil Marcus en Nick Tosches heeft willen volgen. Zijn boek (dat overigens typisch Engelse artiesten als The Kinks en Blur buiten beschouwing laat) is een eye-opener over de Engelse Droom in de populaire cultuur. Maar, om in Bracewells eigen termen te blijven: de Mystery Train van de Engelse popkritiek is het niet.

Michael Bracewell treedt zaterdagavond 13 september op tijdens het Crossing Border-festival in het Congresgebouw in Den Haag. Inl. 015-2144414.