De eerste echte pomo-roman van Joost Zwagerman; Schrijver in themaloze tijd

Joost Zwagerman: Chaos en rumoer. De Arbeiderspers, 248 blz. ƒ 45,- (geb)/ƒ 34,90 (pbk)

Vroeger, vroeger had je op zijn minst de oorlog nog. Of anders wel het calvinisme, met zijn zonde en zijn ouderlingen en zijn zwijgende gezinnen rond een pan met papgekookte bloemkool. Nederlanders groeiden op met een pakket aan collectieve vormende ervaringen waar nauwelijks aan te ontkomen viel. Voor schrijvers in de dop stonden de onderwerpen in de rij.

Maar dat was vroeger. De herinnering aan Wereldoorlog Twee werd iets voor ouderen, de jongeren leefden in een lange vrede. De zwaartekracht van de geschiedenis viel als het ware weg, de druk viel weg, en sinds die tijd gaan wij gewichtloos door het leven. Niets ontbreekt ons nog, veel prettiger zal het bestaan wel niet meer worden. Maar een hele kring van jonge schrijvers zit er mee. Want waar moet je het over hebben als de wereld je niets aanreikt?

Sinds ruwweg de late jaren tachtig, toen de debuterende Joost Zwagerman bekend werd als de voorman van de zogeheten Maximalen, zie je jonge schrijvers die de tijdgeest op de staart willen trappen bezig met een krachtproef die een alchemist niet zou misstaan. Of ze zich nu Maximalen noemen of Millenium of Generatie Nix, want ze komen vaak in groepsverband, ze zoeken in hun zwevende staat naar iets dat toch op vaste grond lijkt. Naar een vorm, zou je kunnen zeggen, voor hun ongevormdheid. En misschien moet je wel zeggen: naar een onderwerp in het ontbreken daarvan.

Nu is het eigenaardige van Zwagerman, onder de jongeren inmiddels al een oudgediende maar nog steeds pas drieëndertig, dat hij zich meteen na zijn debuut aan dat getob onttrokken heeft. Hij pakte het voortaan anders aan. Wat hem ontbrak aan eigen onderwerp, dat haalde hij van elders. Als een journalist op reportage portretteerde hij in iedere roman een subcultuur met omgangsvormen die de held van huis uit vreemd zijn. In Gimmick! ging het daarbij om een groepje kunstenaars, getekend naar het voorbeeld van de scene die in de jaren tachtig rond de zon van beeldend kunstenaar Rob Scholte draaide. In Vals licht werd het de wereld van de Amsterdamse prostitutie, eveneens met veel detail geschetst, en in De buitenvrouw kwam de verhouding tussen autochtoon en Surinamer in een doorzonwijk aan bod. Tegen de achtergrond van die milieus ontvouwden zich verhalen die steevast draaiden om een grote, woeste liefde, en het lijkt soms wel alsof je met een vast stramien van doen hebt. De roman volgens Zwagerman: één deel sociale kwestie, één deel liefde.

Maar zo simpel is het niet, goddank, wie goed kijkt ziet iets raadselachtigers. De schrijver mag zich laten kennen als een chroniqueur van zijn tijd, een term die hij in interviews ook graag gebruikt, zijn helden trekken zich elk boek een stapje verder uit de wereld terug. Ze voelen zich daar, anders dan je zou verwachten, vreemd. Ze vinden het er akelig en onheilspellend en ze blijven daarom liever binnen, ramen dicht, deur op slot. 'Inertie uit zelfbehoud was de sleutel tot een haalbaar welzijn,' zegt een wijsheid in De buitenvrouw. 'Wie vooruit wil, moet bewegen, en wie beweegt, die tart het lot. Wees roerloos: hoe meer je met je hoofd alle kanten opkijkt, hoe groter de kans bestaat dat je je nek verrekt.'

Achter de jonge onderzoeker die de rafelranden van de samenleving opzoekt staat bij Zwagerman klaarblijkelijk nog een heel andere figuur. Een oude wezel. Een verloren ziel die zich van alles in de wereld verre houdt - en wie de sporen van die man blijft volgen tot in het deze week verschenen Chaos en rumoer doet een ontdekking. Hij is dit keer niet alleen meer bang en schuw, dit hazenhart, hij heeft een bijpassend beroep gekregen. Hij is schrijver. Hij zit maandenlang aan zijn bureau en komt tot niets. Hij is een schrijver, merkt hij, zonder onderwerp.

Zelfportret

Met Chaos en rumoer keert Zwagerman na tien jaar terug van de wereld naar zichzelf en stelt een vraag die al sinds zijn debuut op antwoord lag te wachten. Wat is van dit werk de harde kern? Wie gaat er schuil achter het effen masker van de chroniqueur? Het is een zelfportret, een studie schrijver met de billen bloot. Maar op een ingewikkelder manier, dat wel, dan je aanvankelijk vermoedt.

De schrijver uit het boek, Otto Vallei, net als zijn schepper drieëndertig jaar, komt na zijn maanden van vergeefs gezwoeg tot een besluit. Hij zegt de letteren vaarwel. Hij meldt zich bij zijn uitgevers om uit te leggen dat ze niets meer van hem te verwachten hebben en wordt medepresentator van het culturele radioprogramma 'Chaos en Rumoer'. Een diepe knieval, in zijn eigen ogen, en de stemming zakt nog dieper als hij doorkrijgt wat zo'n werkkring allemaal niet met zich meebrengt. Hij moet gruwzame toneelstukken bewonderen en reddeloze boeken lezen, en het ergste - hij moet thuis een eindeloze stroom aan telefoon en fax verwerken, want de info is niet meer te stuiten. De wereld dringt zich op tot in zijn eigen kamer.

Dit alles krijgt van Zwagerman een welbewuste schijn van autobiografie. De opgevoerde uitgevers zijn moeiteloos herkenbaar als de zijne, Sontrop & Ros, het pittoreske en al bijna legendarische span dat tot voor kort de Arbeiderspers bestierde. En ook de bekering tot de radio heeft op zijn minst een grond van waarheid, Zwagerman is één seizoen co-presentator van het culturele radioprogramma 'Ophef en Vertier' geweest. Zodat zich als vanzelf de vraag opdringt wat je moet denken van dat writer's block. Ook Zwagerman?

Maar de roman in je handen dan?

En daar begint het ingewikkelde van dit zelfportret. Vallei is Zwagerman, maar Zwagerman is niet alleen Vallei. Hij huist nog ergens anders, blijkbaar, en je krijgt een vaag vermoeden waar, wanneer Vallei bij Chaos en Rumoer hoort dat er een nieuw boek op komst is van zijn generatiegenoot Ed Waterland. Een boek over 'een schrijver en zijn impasse' - meer nog, over 'het gevecht tegen een writer's block'. Vallei wordt woest, want hij heeft kort voor hij voorgoed besloot te stoppen bij zijn uitgever een boek over hetzelfde aangekondigd, en hij wordt nog woester als het boek daadwerkelijk verschijnt. Het is niet enkel zijn idee dat voor zijn neus wordt weggekaapt, het blijkt veel ernstiger. Een schrijver zonder onderwerp, werk voor de radio, gevoelens van zelfvernedering - alles staat erin. Dit boek gaat over hem.

Wat het voor Vallei nog erger maakt is dat Ed Waterland een aloverheersende vijand van hem is, een Angstgegner, een man die bovendien van hem verschilt als de nacht van de dag. Hijzelf schrijft boeken die men graag verdienstelijk noemt, om ze meteen daarna weer te vergeten - 'recensenten liepen er toevallig tegenaan en excuseerden zich beleefd in twee kolommen'. Waterland bedient zich daarentegen van een taal die 'als een voelbalsupporter op je afkomt' en ontwikkelt zich daarmee tot een succesauteur. Hijzelf woont teruggetrokken op een flat in Buitenveldert en spuugt op alles wat maar riekt naar binnenstad en Ons Soort Mensen en cafés met blitse bijdehante schrijvers die elkaar de loef afsteken met hun verkoopcijfers. Waterland geldt daarentegen als de vleesgeworden grachtengordel, altijd in de weer met modestijlen en vliesdunne polemiek. De wandelende tijdgeest, dat is Waterland.

Waarmee de vraag rijst hoe een man die zo zijn tegenvoeter is, een man met wie hij zelfs nog nooit een woord gesproken heeft, zoveel van hem kan afweten. Vallei staat voor een raadsel, en de lezer ook. Maar met een beetje puzzelen krijg je toch vrij gauw in de gaten waar de sleutel ligt. Vallei wordt een karakter in een boek. Hij is de ruwe stof die door een mede-schrijver wordt bewerkt. Zelf is hij daar niet in geslaagd, hij mist daartoe het inzicht of de afstand, wat vaak op hetzelfde neerkomt. Maar die ander heeft die afstand wel, die haalt zijn onderwerp niet uit zichzelf. Hij is een chroniqueur, kun je wel zeggen, en het is door die positie dat hij uit een schrijver zonder onderwerp alsnog een boek weet los te peuteren. En hoe hij aan zijn informatie komt? Gewoon, doordat hij vierentwintig uur per dag rechtstreeks met Vallei verbonden is. Ze zijn twee zielen, maar ze wonen, ach, in ene borst. Waterland, Zwagerman - het is dezelfde klank, hetzelfde hoofd.

Dubbel scheel

Met die draai in het verhaal verplaatst de scène zich met duizelingwekkende snelheid van de buitenwereld naar de hersenpan van Zwagerman. En terug, bij tijden. En weer heen, zodat je op den duur gewend raakt aan een permanente vorm van dubbelzien.

Of zelfs van driedubbelzien, want Zwagerman heeft meer in petto. Hij wekt, als altijd, sterk de indruk dat hij een volkomen realistische geschiedenis vertelt,zij het een tikkeltje satirisch aangezet. Hij zet Vallei als kersvers presentator om de tafel met de Chaos en Rumoer-redactie, automatenkoffie bij de hand, de blik op de vergaderstand, en je verkneukelt je onmiddellijk om het ten hemel schreiend beeld van enthousiaste middelmatigheid. Die arme, arme man,hoe diep moet hij nog gaan? Je ziet hem daarna dapper praten met Wiert Huygens, schrijver van de meesterwerken Rosa: gestolde tijd en Onteigening, en je herkent in die figuur onmiddellijk een uitgewoonde avantgarde van de jaren zestig. Sterker, je herkent misschien zelfs wel J. Bernlef, want zo scherp zijn die portretten.

Maar dat realisme blijkt ineens volslagen magisch als Vallei, die bij zichzelf nog nooit de tijd heeft voelen stollen, moet erkennen dat iets dergelijks hem nu toch overkomt. Hij leest in Waterlands roman nauwkeurig wat hij in zijn leven meemaakt. Vreemder nog, hij leest op tweederde van die roman met groeiende verbijstering dat hij met groeiende verbijstering in die roman leest. Hij wordt geannexeerd, onteigend, en het slot van de roman heeft hij dan nog niet eens gelezen. Staat daar ook zijn toekomst al voorspeld?

Zo lopen niet alleen de binnen- en de buitenwereld door elkaar maar ook de werkelijkheid en de verbeelding. Volgt het boek van Waterland nu uit het leven van Vallei of andersom? Of allebei? Of, wie weet, geen van beide? Overal schrijvers zonder onderwerp, in leven en in geschrifte, maar wie was er eerst? Wie is er echt, wie imiteert? Het is niet meer te zeggen, alles is een afgeleide van iets anders, een weerkaatsing, een kopie. Of een kopie van een kopie. Het is een uitdijende kring van beelden en nabeelden.

En commentaren, om de drukte compleet te maken. Veel van wat je zelf over dit boek zou kunnen zeggen, krijg je bij het lezen kant en klaar aangeboden. 'Toegegeven, zoiets was al ontmoedigend vaak gedaan,' erkent Vallei meteen het eerste hoofdstuk, als hij overweegt over zijn writer's block te schrijven. 'Bovendien werd het schrijvers doorgaans sterk afgeraden het vak zelf tot onderwerp te maken, niet in de laatste plaats door oude, eerbiedwaardige literatoren die het konden weten omdat ze zich er ooit zelf aan hadden bezondigd.' Dat is meer een jijbak dan een argument, maar even later blijkt het boek ook daarin te voorzien. Wat geeft het nu hoe vaak iets is gedaan? 'Die malle drang tot originaliteit is ouderwets en ordinair, a poor man's quest.' En mocht het je daarna gaan storen dat het boek je met dat teruggepraat voortdurend te slim af probeert te zijn, dan krijg je van Vallei ronduit gelijk. 'Je dekte je er [als schrijver] mee in tegen spot en aanmerkingen van de literaire kritiek, al was het toch vooral een ingreep die meer van boerenslimheid getuigde dan van raffinement.'

Commentaar op commentaar op commentaar. Bewustzijn van bewustzijn. Anders dan in al zijn vorige romans speelt Zwagerman in Chaos en rumoer vooral een spelletje. Het kaatst en vonkt van de verwijzingen en toespelingen, je bent voortdurend bezig de constructie te doorgronden en toch loop je om de zoveel bladzijden weer in een valletje. Denksport is het, een genoeglijk tijdverdrijf om niets. Unzeitgemäss als het mag klinken, een jaar of tien nadat hij de term postmodernisme met zijn mede-Maximalen als een strijdkreet aanhief: Zwagerman heeft zijn eerste echte pomo-boek geschreven.

Maar dat is heel iets anders dan de billen bloot. Hij speelt zijn spel voortreffelijk (zij het aan het slot wel erg uitleggerig, alsof hij je niet hoog heeft zitten) en zijn schetsen van het uitgevers- dan wel het radiobedrijf zijn raak en ongewoon vermakelijk. Maar hoe verder je komt, hoe verder je door alle commentaar verwijderd raakt van alles wat op ademend aards leven lijkt. Steriel wordt het, meer puzzel dan portret, en het kon wel eens zijn dat hij dat zelf gezien heeft. Hij komt met een hoger bod. Hij komt in de allerlaatste bladzijden, na een uitbundige intrige die hier maar geheim moet blijven, met de openbaring dat het hele boek geschreven is door niemand minder dan: Otto Vallei. Vallei is aan het eind van het verhaal weer aan het werk gegaan en het gevolg daarvan is: Chaos en rumoer.

Met die plot zet Zwagerman zijn boek van a tot z in een nieuw kader. Bij een alsmaar fragmenterend werk als dit zou je verwachten dat het eindigt in de geest van de titel. In een chaos, naar de postmoderne regel van het zelfvernietigende kunstwerk. Maar het tegendeel gebeurt. Het hele fragmenterende relaas wordt op de valreep in het perspectief gedwongen van één man, de held die schrijver werd en alle touwtjes boven het papier dus kennelijk in handen houdt. En meer dan dat, want als die laatste bladzijden niet liegen heeft hij daarbij plotseling zelfs de beschikking over een thema. Hij heeft een onderwerp, ontdekt hij. 'Over de man die zichzelf terugziet in andermans verhaal.'

Paranoïa

Dus toch een kern, een mens, een vent? De echte Zwagerman?

Je spoelt de film in je gedachten terug en draait hem nog eens af, met een gerichte blik, en dan ontdek je iets merkwaardigs. Inderdaad, er zijn wat sporen die vertellen dat Vallei de neiging heeft verhalen op zichzelf te betrekken. In een fraai miniatuurtje zegt hij het zelf: 'Niemand heeft ooit iets goeds over me gezegd. Iedereen is eropuit om me te vernederen. Nog een geluk dat ik geen aanleg heb voor paranoïa.' Maar voldoende voor een heel karakter is het niet, het blijft een zoveelste fragment, en denk je daarna aan een tweede uitspraak van zijn hand, dan weet je plotseling waarom. De man in wie hij zichzelf terugziet, zegt hij, is te vergelijken met 'een hologram, in het hart waarvan zich een lege spiegel bevond'. Dus wat is het waarin hij kijkt, verlangend naar een onderwerp?

Wat hier tussen de regels wordt verteld is iets dat eigenlijk zo pijnlijk is dat zelfs de lange aanloop van een stuk als dit niet lang genoeg is om het zonder slikken op te schrijven. Zwagerman, een technisch hoogbegaafd auteur, heeft in de afgelopen tien jaar vijf romans geschreven, twee gedichtenbundels, twee essaybundels en een bundel verhalen, en is ondanks al die onmiskenbare gedrevenheid nog altijd geen auteur. In de betekenis van: iemand die zijn onverwisselbare stempel op een oeuvre zet. Hij blijft de Januskop die hij was, Vallei en Waterland, de schrijver zonder onderwerp en de beschrijver van andermans onderwerp. Een lege plek en een lege spiegel.

Het pijnlijkst is nog wel dat de verklaring voor die tweespalt eigenlijk zo voor de hand ligt en dat Zwagerman die blijkbaar zelf niet ziet. Hij constateert wel, maar hij vraagt niet door en ziet daardoor niet dat het keerzijden van de medaille zijn. De schrijver zonder onderwerp is iemand die zijn toevlucht in zijn eigen huis zoekt. De beschrijver van andermans onderwerp is iemand die zijn toevlucht in een vreemd milieu zoekt. Beiden, kortom, vluchten ze. Waarvoor? Niet voor een ander, niemand doet ze ernstig kwaad, dus er blijft niet veel anders over dan één veelvoorkomende mogelijkheid. Ze vluchten voor zichzelf.

Het verlangen kwijt te raken, zelfs onvindbaar voor jezelf te worden, dat moet zijn wat er verborgen ligt onder de spiegelkabinetten van dit schrijverschap. Wat Zwagerman zoekt is een vorm van verdwijnkunst, met een mooi woord van zijn generatiegenoot Peter Verhelst, die zelf een van de vele jonge schrijvers van het ogenblik is die zich daaraan wijdt. (Met, bijvoorbeeld, Oscar van den Boogaard, Ronald Giphart, Willem Melchior, Bas Heijne en de al wat minder jonge Adri van der Heijden, allen ongetwijfeld bien étonnés de se trouver ensemble). Alles in de wereld hebben, rijkdom en vrede, en dan toch, nee juist niet in die wereld willen leven - dat is het eigenlijke raadsel.

Als dat geen onderwerp is.

Uit: Chaos en rumoer

Nadat Otto Vallei zich zes maanden lang iedere dag in zijn werkkamer had opgesloten om aan een roman te werken, biechtte hij zijn vrouw Karin op dat hij nauwelijks vorderingen had gemaakt. En zelfs dat was een zonnige voorstelling van zaken. In zekere zin was hij niet eens aan die roman begonnen.

Karin reageerde tamelijk laconiek op Otto's bekentenis, wat hem eerst verbaasde, daarna opluchtte en uiteindelijk zachtjes kwetste. Hij kon natuurlijk niet van haar verlangen dat ze net als hij diep ontgoocheld was, maar een minimum aan solidaire somberheid had hij toch wel van haar verwacht. In plaats daarvan was ze alleen maar nieuwsgierig. Waarschijnlijk kon ze het zich niet goed voorstellen dat iemand in zes maanden tijd zó weinig kon uitvoeren. Zelf kon Otto het zich achteraf ook niet goed voorstellen.