Country in suburbia; Drinkt u? Vroeger wel

Nicholas Dawidoff: In the Country of Country. Faber and Faber, 365 blz. ƒ 48,45

Toen country-zanger George Jones die dag thuiskwam, trof hij de drankkast leeg aan. Alles was door de gootsteen. Zijn vrouw had ook de sleutels van hun 27 auto's verstopt, om te voorkomen dat George de voorraad pijlsnel zou aanvullen in de liquor store. Ze was zelf een verdienstelijk country-zangeres, en had meer dan genoeg van de drinkgelagen van haar echtgenoot en de avonden vol aangeschoten podium-gewaggel. Nee, zelfs Tammy Wynette had geen zin meer om deze man bij te staan.

Niet dat het veel hielp. George Jones klauterde als een aap in de gemotoriseerde grasmaaimachine en scheurde de weg op, op zoek naar whisky. Hij vond de drank en verloor zijn vrouw. Na de echtscheiding belandde Jones, die in 1931 werd geboren met een gebroken arm maar al meteen kon zingen als 'een menselijke doedelzak', in de goot, op een menu van bier en sardientjes uit blik. Pas vele rondgangen door afkickklinieken later vond hij een vrouw die hem wel van de fles kon afhouden - al was zijn IQ tegen die tijd volgens de behandelende artsen verschrompeld tot een luttele 72 punten.

De hamvraag 'drinkt u?' is in traditionele countrykringen overbodig, zo blijkt uit de vele verhalen in Nicholas Dawidoffs mooie boek In the Country of Country, een breed uitgesponnen liefdesverklaring aan de oude Amerikaanse countrymuziek, met in de staart een bijtende filippica tegen de commercialisering van het genre. De schrijver en journalist Dawidoff reisde van Alabama naar Californië voor zijn portretten van steden en sterren uit 'de oude school' - zoals Johnny Cash, Bill Munroe en George Jones - en van 'bekeerlingen' als de enigmatische Emmylou Harris. Hij reed door hun woonplaatsen, sprak met hen, liep feestjes en verjaardagen af, bestudeerde hun omgeving en verdiepte zich in hun sociale en familie-achtergrond.

Bewusteloos

Daar begint ook het drinken. 'Het was het enige regelmatige aan zijn leven', noteert Dawidoff bijvoorbeeld al over de innemende vader van George Jones. De songschrijver Harlan Howard die hij ontmoet, heeft een getekend rood hoofd van de dagelijkse hoeveelheden wodka en tequila. De 'barroom hurricane' Gram Parsons, die bij Emmylou Harris ter sprake komt, gaf in 1973 de geest na weken vol speed en drank, in het kielzog van de country-legende Hank Williams die zich twintig jaar eerder op 29-jarige leeftijd dooddronk. Johnny Cash blijkt zijn demonen in bedwang te houden met een afmattend regime van alcohol en amfetamine. Twee jaar geleden werd hij, op tournee, bewusteloos aangetroffen op een business class toilet in het vliegtuig naar Londen. De 63-jarige wist ternauwernood uit handen van de politie te blijven.

Alleen Charlie Louvin uit Sand Mountain, een straatarme en zwaar religieuze streek in Alabama, dronk niet. Maar dat werd meer dan goedgemaakt door zijn broer en muzikale partner Ira, die na het succes van Elvis Presley halverwege de jaren vijftig te horen kreeg dat een mandoline misschien toch een wat verouderd instrument was om de jeugd mee op te winden, en die van verdriet maar naar de fles greep. En naar zijn vrouw, die hij probeerde te wurgen met een telefoonsnoer. Zij was sneller bij de huisrevolver dan hij, en pompte vijf kogels in zijn borst. Maar dat was niet genoeg: Ira overleefde het huwelijk en sneuvelde pas een paar jaar later, in het verkeer.

Hoeveel van zulke anekdotes zijn er nodig om countrymuziek te bevrijden van het belegen en lelieblanke imago dat het genre sinds de jaren zestig, en de laatste tijd opnieuw in volle hevigheid, aankleeft? Voor de hippe, omgeturnde vogels die in 1969 neerstreken bij Woodstock was country een relikwie van een ruraal, rechts en racistisch Amerikaans verleden. Alleen 'folk', de sociaal bewogen volksmuziek van 'drifters' als Woody Guthrie kon nog door de beugel - maar, lieve hemel, geen mandolines en cowboyhoeden. De film Easy Rider, waarin Peter Fonda en Dennis Hopper van hun opgevoerde choppers worden geschoten door een stel laffe en beslist onhippe 'rednecks', bezegelde het lot van de muziek uit het Zuiden. Voortaan heerste de nieuwe rock uit Suburbia. De middenklasse werd de baas.

Verdienste van Nicholas Dawidoffs portrettengalerij is dat blijkt hoe onterecht die stigmatisering is van de oude countrymuziek als een achterlijke soundtrack voor de gevestigde orde. Vrijwel alle grote countryzangers uit de jaren twintig tot de jaren vijftig - Jimmy Rodgers, Hank Williams, Johnny Cash, Bill Munroe - groeiden op in armoede en leerden hun vak in zwarte achterbuurten, langs spoorlijnen en in rokerige bars waar geen fatsoenlijk mens kwam. Ze leken als twee druppels whisky op de later tot maatschappelijke dissidenten verheven rockers als Carl Perkins, een boerenzoon uit Tennessee die zijn eerste gitaar bouwde van een sigarendoos en een bezemsteel, of Jerry Lee Lewis, de zoon van een illegale whiskystoker in Louisiana die zijn eerste busrit naar de muziekstad Memphis in natura betaalde met eieren.

Poor whites

Al deze boerenjongens zongen voor een gehoor van poor whites, arme blanken die achter de bergketens van de Appalachen of in de moerasdelta van de Mississippi hun kostje bij elkaar scharrelden als keuterboer, katoenplukker of spoorwegarbeider. Zoals Dawidoff opmerkt over Johnny Cash: 'Zijn zangstem is vlak, ongekunsteld en grimmig, zoals het arme blanke Zuiden dat was.'

De zwarten hadden blues, de blanken hadden country. Maar beide genres hadden soul, dat ongrijpbare ingrediënt dat muziek tot meer maakt dan een hapklaar, voorverpakt gebruiksvoorwerp voor in de open keuken of de kantoorlift.

Later, in de jaren dertig, de tijd van de 'depressie', kwam de grote uittocht naar het Noorden en Californië op gang. Blues vond de weg naar Chicago en de elektrische gitaar. Country rukte via het honky-tonk- en rodeocircuit door Texas en Arizona op naar de gouden Westkust.

Tekstueel sloot country toen ook nauwer aan bij blues dan bij de popliedjes die Tin Pan Alley produceerde. Ook country klaagt: over ontrouw, moord, noodweer, een slechte oogst, een verderfelijk karakter en alle andere ellende die een mens kan overkomen temidden van de natuurkrachten. Evenals in de blues,schiet de drama-index in de country regelmatig door de duizend punten. Jimmy Rodgers kwijnde weg aan tuberculose, aangemoedigd door een publiek dat hem avond na avond toeriep 'spuug het uit, Jimmy!', en hij zong erover in 'TB Blues'. Zoals hij in 'Blue Yodel' had gejodeld dat 'it's T for Texas/ T for Tennessee/ and T for Thelma, the girl that made a wreck out of me'.

In zijn jonge jaren was ook Johnny Cash, van wie Dawidoff een meesterlijk portret schetst, een ster in zulke rauwe klaagzangen. Geen suikerzoet ontbijttafel-geschmier over eeuwige liefde tussen de cornflakes, maar duistere bekentenissen over seks en geweld, die doen denken aan de huidige zwarte gangsta-rap.Neem 'Folsom Prison Blues' (1955), waar de zevenvoudige bajesklant Cash zingt: 'I shot a man in Reno/ Just to watch him die'. Op de live-elpee San Quentin, opgenomen in de gelijknamige gevangenis, is het gejoel van het publiek te horen - eindelijk muziek waar ze zich in herkennen. Of neem 'Big River' (1956), waarin Cash zichzelf ziet doodgaan aan een ongelukkige liefde: I taught the weeping willow how to cry I showed the clouds how to cover up a clear blue sky And the tears I cried for that woman Are gonna flood you, big river And I'm a-gonna sit right here until I die. Allemaal gezongen in dat typische donkere stemgeluid, dat geen enkele twijfel laat bestaan dat hier iemand aan het woord is die misschien niet begrijpt wat hem overkomt, maar wel meent wat hij zegt.

De zanger Bob Dylan, die in dit boek regelmatig opduikt in een bescheiden rol als country-kenner, vertelt Dawidoff dat de teksten van Cash hem, toen hij ze als tiener in Hibbing/Minnesota voor het eerst op de radio hoorde, raakten als 'woorden die onmiddellijk veranderden in vlees en bloed'. Het zijn eeuwige liedjes, niet 'verzonnen' maar rechtstreeks uit de grond getrokken of uit de lucht geplukt, aldus Dylan.

Ondanks het misprijzen waarmee het genre na de zegetocht van rock 'n' roll werd bekeken, beleefde country in de jaren zeventig een nieuwe bloeiperiode. Bob Dylan speelde daar, al eind jaren zestig, een rol in met zijn elpee Nashville Skyline, een herwaardering van country voor het nieuwe massapubliek van blanke middenklasse-jongeren. Artiesten als Neil Young en James Taylor flirtten met een 'rielekst' country-geluid, dat aansloot bij de commune-fantasieën van een half-uitgebluste hippie-droom. The Flying Burrito Brothers en vele andere, zuidelijke broers-groepen (Lynyrd Skynyrd, The Allman Brothers Band) introduceerden 'southern rock' oftewel 'swamp rock', met verwijzingen naar het werk van Williams en Jones.

Maar het grootste en onvermoede succes boekte 'country and western', zoals het genre nu werd genoemd, bij de zwijgende meerderheid van blanke, suburbane middenklasse-burgers die niets moest hebben van de ongewassen hippies en de decibellen-dictatuur van de rock. Country was al snel geen muziek meer voor arme zuidelijke blanken, maar voor beleggers in vrijetijdskleding en blue collar-fabrieksarbeiders: de kiezers van Ronald Reagan, en de fans van John Wayne. Nu de Woodstock-generatie dertig jaar later zelf een hypotheek heeft, krijgt country bovendien toeloop van een omvangrijk publiek van voormalige festivalgangers op leeftijd, die hun rockplaten in het wandmeubel hebben opgeborgen.

Dansavonden

De purist Dawidoff zet zich fel af tegen deze 'country-renaissance' die volgens hem een aanslag betekent op de authenticiteit van de muzieksoort. De Amerikaanse concertpodia worden de laatste jaren bestormd door tientallen jonge zangers met Colgate-grijnzen en hagelwitte Stetsons op hun gecoiffeerde hoofden - zoals de gelikte Garth Brooks, die met zijn even smetteloze als reukloze liedjes in Amerika al ruim twintig miljoen platen heeft verkocht. De Amerikaanse markt voor country is van 1986 tot 1994 verviervoudigd tot twee miljard dollar per jaar. Ook in Nederland is de laatste jaren 'western lifestyle' een rage geworden, met country-dansavonden in steak-houses, van Hoofddorp tot Almere. Wild West verovert het woonerf.

Dawidoff ziet in deze nieuwe country zouteloze popmuziek 'voor een welvarende, conservatieve blanke middenklasse', die zich wil koesteren in de warme klanken van 'netjes gekamde muziek, die verrast noch aanstoot geeft'. Veteranen als Cash, van wiens bejubelde meesterwerk American Recordings (in 1994) een povere 300.000 exemplaren werden verkocht, begrijpen er niets van. 'Het heeft denk ik te maken met seks', zegt Cash ernstig tegen Dawidoff. 'Die nieuwe gosers dragen allemaal van die strakke spijkerbroeken.'

Hoe strakker de broeken, hoe breder de markt, kennelijk. Die ontwikkeling kun je betreuren - en Dawidoff doet dat zo hevig dat zijn woede tussen de regels door bijna van de pagina spat - maar ze heeft een onmiskenbare logica. Country en blues begonnen als plattelandsmuziek voor have-nots. Met de opkomst van de blanke suburbane middenklasse in de jaren vijftig, de haves, werden zwarte blues en aanverwante genres geconfisqueerd tot de rock 'n' roll van Bill Haley en Elvis Presley. Maar nu rock 'klassiek' is geworden, of is geïntegreerd tot een impotente decibellenkwestie, en met rap en hip-hop nieuwe, onbeteugelde zwarte muziek oprukt, wijkt de tweede generatie in Suburbia - de generatie die opgroeide met rock - uit naar de veilige haven van de blanke country. In opgepoetste vorm natuurlijk, dat wel. Tuberculose is ten slotte geen gezicht op een tuinfeestje. Dawidoffs aanklacht tegen deze neo-country, 'een veilig avontuur in een rookvrije omgeving', is wat al te heilig. Je vraagt je af of er nergens een nieuwe zielige Hank staat te zingen, en of het echt allemaal trommelgedroogde Garth Brooksen zijn geworden. En waarom komen we niet te weten of Garth Brooks drinkt en, zo ja, hoeveel?

Desondanks biedt In the Country of Country een indringend en levensecht portret van een authentieke muzikale volkscultuur die snel aan het verdwijnen is nu Hollywood de formule heeft gevonden.