Bobby McFerrin steelt vele harten

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Bobby McFerrin. Gehoord: 28/8 Doelen, Rotterdam. Herhaling: 31/8 Concertgebouw, Amsterdam.

Rotterdammers zijn bijzonder muzikaal. Dat bleek gisteren in de Doelen waar het publiek tegen negenen functioneerde als een machtig en loepzuiver zingend koor. Dat het daarbij ook nog in de maat bleef, een vleugje polyfonie niet schuwde en oor had voor dynamische nuances maakte de prestatie nog groter. Dit alles dankzij de Amerikaanse vocalist/arrangeur/dirigent Bobby McFerrin die niet alleen als koning Midas alles wat hij aanraakt laat glimmen als goud, maar ook de rattenvanger van Hamelen naar de kroon steekt. Zou hij hebben voorgesteld in polonaise over het Weena te trekken dan was het publiek hem waarschijnlijk ook gevolgd.

Bobby McFerrin, die in 1988 een vocale wereldhit scoorde met het liedje Don't worry, be happy, kreeg de liefde voor zingen mee van thuis. Zijn vader zong onder andere in de soundtrack van de speelfilm Porgy and Bess, zijn moeder testte stemmen voor de Metropolitan Opera in New York. Toch begeleidde McFerrin op piano eerst vele anderen voor hijzelf als vocalist begon. Hij kon niet alleen heel hoog en heel laag, hij beheerste ook een zeldzaam breed gamma aan kleuren en sferen. Hij beperkte zich niet tot zingen in de orthodoxe zin maar liet zijn stem ook gonzen, borrelen, kraken en zoemen, om maar enkele geluiden te noemen.

Dus was het eigenlijk niet eens zo gek dat McFerrin gisteren de fluitrol vervulde in de bekende Pavane van Gustave Fauré. Gekker was eigenlijk dat hij, een microfoon in zijn linkerhand, met zijn rechterhand het Rotterdams Philharmonisch dirigeerde zonder dat dat orkest er merkbaar onder leed. Als een echte fluit klonk McFerrin trouwens niet, soms wel als een counter-tenor.

Hij kwam dichter in de buurt van het geluid van een cello, toen hij met sparring-partner Marien van Staalen de hoofdrol vervulde in het Concert in G voor twee violoncelli, strijkers en continuo van Antonio Vivaldi. Zijn grote happen naar adem verraadden hem echter. Een cellist in een solorol heeft natuurlijk ook behoefte aan extra lucht, maar heeft daarbij geen microfoon voor de mond. Dat McFerrin met het gezicht naar de zaal ook het orkest achter zich wist te dirigeren was een ergonomisch wonder. De 'zangcellist' was zo tevreden over het resultaat dat hij er meteen maar een extraatje tussendoor gooide: het Ave Maria van Gounod. Van Staalen streek de melodie, McFerrin 'pingelde' virtuoos de begeleiding.

Het orkestreren van verschillende stemmen leerde Bobby door het meervoudig indubben van zijn eigen stem op de lp Medicine Music. Pas door optredens met zijn tienkoppige zanggroep Voicestra echter werd hem duidelijk wat hij eigenlijk (ook) wilde: dirigeren. Hij nam directielessen bij Gustav Meier en in 1990, op zijn veertigste, dirigeerde hij zijn eerste symfonie-orkest.

Het in vrijetijdskledij spelende RPhO gaf McFerrin meer dan het voordeel van de twijfel. De met rastahaar getooide en in casual black gestoken muzikale duizendpoot werd niet slechts geduld, maar leek vele harten te hebben gestolen. Dat na de laatste, zeer daverende klap van George Gershwins An American in Paris de Ouverture van Rossini's Wilhelm Tell moest worden gezongen in plaats van gespeeld, was dus geen straf maar een geinige toegift op een leuke avond.

Het concert wordt zondag herhaald in een uitverkocht Amsterdams Concertgebouw. De aanvankelijk met McFerrin aangekondigde Chick Corea speelt vermoedelijk later in de Doelen.

Wie een jazzpianist in een klassieke context wil horen moet 5 september naar Den Haag waar Michel Petrucciani optreedt met het Residentie Orkest.