Architecten van Bloemendaal

Wim Post: Bouwen aan Bloemendaal. Architectuur en bouwhistorie vanaf 1883. Kennemerreeks, Schuyt & Co, ƒ 35,-

Handboeken over architectuurgeschiedenis kunnen de indruk geven dat het bouwkundig gezicht van Nederland is bepaald door enkele beroemde bouwmeesters. Het leeuwendeel van ons bouwkundig erfgoed is echter ontworpen door een leger van locale architecten, wier namen in de standaardwerken ontbreken. De regionale geschiedschrijving leert dat. In Bouwen aan Bloemendaal van Wim Post komen weliswaar grootheden als Gerrit Rietveld en H.Th. Wijdeveld voor, maar de centrale plaats wordt ingenomen door plaatselijke architecten die een veel sterker stempel drukten op de bouwkundige ontwikkeling van deze lommerrijke Noord-Hollandse gemeente.

De opmaat voor de bebouwing van Bloemendaal wordt gevormd door de versterkte hofstedes die de graven van Holland in de elfde en twaalfde eeuw door Kennemerland bouwden, en de aanleg van buitenplaatsen in de zeventiende en achttiende eeuw. Exploitatiemaatschappijen legden hun handen aan het einde van de negentiende eeuw op de grote landgoederen, waarna de gronden werden herverkaveld en bebouwd met villaparken. Bij de bebouwing van de gemeente, die vanaf 1920 een grote vlucht nam, speelde een locaal architectenduo een belangrijke rol. Jannes Mulder en Jacob van Asdonk mogen geen namen zijn die het hart van een architectuurliefhebber sneller doen kloppen, voor Bloemendaal waren zij van groot belang, en in Bouwen aan Bloemendaal krijgen zij de plaats toegewezen die hun toekomt. Mulder en Van Asdonk startten rond 1909 een architectenpraktijk en werkten tot 1937 samen. Inclusief de woningen die Van Asdonk na de breuk met Mulder bouwde telde Post, op basis van steekproeven in het bouwarchief van de gemeente, meer dan vierhonderd woningen.

De auteur is erin geslaagd een bijzondere verzameling foto's en tekeningen bijeen te brengen, die een helder beeld geeft van de architecturale ontwikkeling van het landelijk gebied. Het begeleidende tekstgedeelte blijft echter achter bij de illustraties. De hoofdstukken zijn gevuld met anekdoten en feiten die niet altijd even interessant zijn. Zo beschrijft Post uitvoerig het assortiment van strandpaviljoen Duinlust ('een verscheidenheid aan dranken,versnaperingen, en genotmiddelen, zoals ijs, melk, Kwatta-repen, gevulde koeken, sigaren, sigaretten en oranje koningsbrood') om even later te volgen met een beschrijving van paviljoen Klein Zwitserland, waar je 'kon genieten van de volgende dranken...' Liever kom je te weten waarom het architectenduo Mulder en Van Asdonk rond 1937 uiteen ging, maar dergelijke informatie wordt je onthouden. Over hun bouwstijlkundige uitgangspunten word je evenmin veel wijzer. Post bespreekt ontwerpen die invloed verraden van Frank Lloyd Wright, een ontwerp in de stijl van de Amsterdamse School, maar ook traditionele neo-klassieke ontwerpen en een stijlaanbouw bij een zeventiende eeuwse kerk. De opmerking dat hun ontwerp voor een damesmodezaak 'nogal afweek van hun gebruikelijke stijl' mist dan ook elke grond. Een poging tot verklaring van de stijldiversiteit ontbreekt.

Daarnaast begaat de auteur een enkele enormiteit, zoals het toeschrijven van het Haagse Vredespaleis van L.M. Cordonnier aan de Haarlemse architect J.A.G. van der Steur. Het doet vermoeden dat Post beschikt over een grote liefde en detailkennis van Bloemendaal, maar niet wordt gehinderd door een gedegen architectuurhistorische kennis of visie. En dat is jammer, want een brede, hecht doortimmerde beschouwing van Bloemendaals bouwkundige geschiedenis in samenspel met het indrukwekkende illustratiemateriaal had van dit boekje echt iets bijzonders kunnen maken.