Waardig afscheid van Van Meekren

De uitstraling van een drogist te Doetinchem, maar journalist in hart en nieren: Jaap van Meekren.

Hij zal dank zij allerlei tv-terugblikken à la Zomergasten in de herinnering vooral voortleven als de verslaggever van de etnische rellen in 1972 in de Rotterdamse Afrikaanderwijk. Met boos geknepen mondje stond hij daar, terwijl hij zijn morele kwalificaties het land inslingerde: “Redeloze vernielzucht... raddraaiers die in troebel water vissen... en dat alles in een democratisch land als het onze.... menig Rotterdammer zou eens voor de spiegel moeten gaan staan.”

Het is een journalistieke stijl die anno 1997 sterk gedateeerd aandoet. Op moralisme rust een taboe, zeker in de verslaggeving die geacht wordt feiten en meningen te scheiden. Dat is, in journalistiek opzicht, een goede ontwikkeling geweest, maar toch krijg je bij het terugzien van zulke beelden iets van heimwee naar dit type verslaggeving. Op de tv zijn alle actualiteitenrubrieken zó dicht naar elkaar toe gegroeid dat er nauwelijks meer een eigen toon is te onderscheiden. Is er nog iemand die weet welke omroep op welke avond Netwerk verzorgt?

Eén Van Meekren, desnoods twee, zou weer wat meer kleur geven aan al die jachterige, identiteitsloze verslaggeving. Wat zou Van Meekren in zijn beste dagen met de pseudo-kabinetscrisis van deze week hebben gedaan? Zou hij tevreden zijn geweest met de aanpak van Netwerk van gisteravond: achter Kamerleden aanhollen door gangen en kamers, zonder dat het ook maar één extra snippertje informatie oplevert?

Vermoedelijk had Van Meekren liever voor het scherpe interview gekozen. Bolkestein en Van Mierlo zouden correct, maar zonder ontzag, ter verantwoording zijn geroepen.

Hij moet een ongenadig harde werker zijn geweest, zo bleek ook uit de woorden van de vrienden die hem in Netwerk herdachten. De AVRO had er terecht een extra-uitzending aan besteed om waardig afscheid te nemen. Fons van Westerloo, Ruud Hendriks en gespreksleider Karel van de Graaf spraken met bewondering over zijn vakmanschap en met warmte over zijn persoon. Ze herinnerden eraan dat hij vooral voor immigranten veel goed werk had gedaan. Als hij ervan overtuigd was dat ze moesten blijven, zocht hij - buiten de publiciteit - de hoogste niveaus op om dat te bewerkstelligen.

IJdelheid speelde bij hem zeker een rol, zei Van Westerloo, maar rechtvaardigheidsgevoel en waarheidsliefde evenzeer. Hendriks: “Het kwam door de oorlog, wat er toen met zijn familie is gebeurd (...) Het moest worden rechtgezet, en dat heeft hij gedaan.” De Nederlanse televisie dankt er historische interviews met De Quay, Speer en de weduwe Rost van Tonningen (“Mevrouw, u doet zich veel zieliger voor dan u bent”) aan.

Het succes kwam ook Van Meekren niet aangewaaid. Zijn collega's vertelden hoe hij zich via rollenspel urenlang voorbereidde op de grote interviews. Van Westerloo: “Ik heb vaak Den Uyl moeten spelen.”

Zijn journalistieke reputatie begon onnodig vroegtijdig te verbleken door zijn overstap naar de commerciëlen. Misschien was het journalistieke vuur wat gedoofd door de dood van zijn vrouw. Netwerk liet archiefbeelden zien waarop hij gedesillusioneerd praatte over dat verlies: “Je bent bezig de tijd aan stukken te slaan. Het leidt tot niks, ik vind dat het leven geen zin meer heeft.”

“Kun je verlangen naar de dood?” vroeg de interviewer. “Jazeker”, zei Van Meekren, “de dood heeft niets afschrikwekkends. Ik zit nu in een tunnel waarvan ik zeker weet dat er aan het einde geen licht brandt.”

“Heeft hij het plezier in het leven later nog teruggekregen?” vroeg Van de Graaf. “Ja”, zei Hendriks, “maar niet meer zoals hij het had gehad.”

Ze lieten beelden zien van Van Meekren, in zijn auto voortzoevend over de snelweg, terwijl hij naar een oud bandje met hemzelf als presentator van Het oog op morgen luisterde. Een aangrijpend tafereel omdat er alles in was samengebald waarover zijn vrienden hadden gesproken: ijdelheid, gedrevenheid en eenzaamheid.

    • Frits Abrahams