Statistiek: Morgen is het net zo warm

Hoe betrouwbaar is het weerbericht? De cijfers daarover zeggen niet alles. Een paraplu meenemen om te voorkomen dat het gaat regenen, blijft verstandig.

RAAR EIGENLIJK. Dagelijks worden we 24 uur aan één stuk bestookt met de laatste weersverwachtingen, maar wie probeert te achterhalen wat nu precies klopt van al die voorspellingen, ontdekt dat daar maar heel weinig echt onderzoek naar gedaan is. Toch heeft iedereen er een mening over. Wat is nu eenvoudiger dan het weer van de dag vergelijken met de voorspelling van gisteren? En we zijn het er ook allemaal over eens: er klopt niet veel van.

Het is echter helemaal niet zo simpel om objectief de juistheid van het weerbericht te bepalen. Iedereen doet dat dan ook op zijn eigen manier, betrekt voorspellingen op verschillende gebieden en perioden, gebruikt eigen statistische maten en gaat uit van verschillende criteria. Het KNMI maakt sinds 1954 voor het meten van de kwaliteit van zijn weersvoorspelling gebruik van een prestatie-index, die onder andere is gebaseerd op de zonneschijnduur, minimum- en maximumtemperaturen en neerslag. Deze index is de afgelopen jaren weliswaar gestaag toegenomen, maar dat geeft nog geen garantie voor de betrouwbaarheid van het weerbericht voor morgen.

Aan de andere kant is een grote mate van nauwkeurigheid niet voor iedereen even belangrijk. Voor de gemiddelde badgast maakt het weinig uit dat het uiteindelijk slechts 30° Celsius in plaats van de voorspelde 31° is geworden. Maar de Gasunie bijvoorbeeld wil wel degelijk over zo betrouwbaar mogelijke temperaturen en windsnelheden kunnen beschikken. In koude tijden kunnen die aanleiding zijn de elektriciteitscentrales te vragen over te gaan op olie en steenkool, zodat aan de te verwachten vraag naar gas kan worden voldaan. Zo'n overgang kost vele tonnen en daarom is nauwkeurige informatie van groot economisch belang.

En hoewel de precieze temperatuur ons vaak niet eens zoveel kan schelen, willen wij wél weten of we naar buiten kunnen als er 'hier en daar een bui' is voorspeld. Er mag dan tegenwoordig worden gesproken van een 'kans op regen van 30 procent', maar dat zegt eigenlijk ook niet zoveel méér. Zo'n waarschijnlijkheid kan immers niet verkeerd zijn. En juist het voorspellen van de plaats en het tijdstip van neerslag is misschien wel meest belangrijke aspect van elke weersvoorspelling.

Het Engelse Meteorological Office houdt sinds 1962 bij hoe goed zijn neerslagvoorspellingen zijn in onder andere het gebied rondom Londen. Daarbij vallen twee dingen op: allereerst zijn de percentages correcte voorspellingen vrij hoog - zo'n 70 tot 80 procent - en verder blijkt het eenvoudiger te zijn om geen regen te voorspellen dan wel. Maar opnieuw: deze cijfers zeggen niet alles. Uit recent onderzoek is gebleken dat wie zonder enige meteorologische kennis voorspelt dat het vandaag even warm wordt als morgen, in meer dan 60 procent van de gevallen gelijk krijgt. Meteorologen spreken in dat geval van persistentie. Eigenlijk moet elke voorspelling dus worden afgezet tegen de persistente 'voorspelling'.

De nauwkeurigheid van een voorspelling blijft verder sterk afhankelijk van de waargenomen kans op regen in een bepaald gebied. Iedere weerman kan immers voor de Atacama-woestijn in Chili - gemiddeld één bui in de twintig jaar - voor bijna 100 procent nauwkeurig voorspellen dat het elke avond droog blijft.

Voor een klimaat als het onze ligt dat ingewikkelder. Wie in Nederland een uurtje weggaat voor boodschappen zal één op de tien keer met regen worden geconfronteerd. Van de honderd uitstapjes worden er dan tien door regen verstoord. Stel nu dat het 'regenbericht' een nauwkeurigheid heeft van zo'n 80 procent. Dan zal het acht van die tien regenbuien goed voorspellen. Niet slecht toch?

Probleem is alleen dat het weerbericht in 20 procent van de gevallen dat het niet regent - in dit voorbeeld negentig keer - wel regen heeft voorspeld. Dat gebeurt dus 18 keer. Zo begint het beeld er toch wat anders uit te zien: van de in totaal 26 keer (8+18) dat het weerbericht regen voorspelt (en u dus een paraplu bij u heeft), is dat 18 keer niet terecht. Zo wordt de volkswijsheid bevestigd dat het meenemen van een paraplu de kans op regen verkleint... En als we dan ook nog eens bedenken dat we nu eenmaal veel beter onthouden wanneer het weerbericht het weer eens bij het verkeerde eind heeft, dan wanneer het een juiste verwachting gaf, dan wordt het duidelijker waarom we er zo weinig vertrouwen in hebben.

Toch zullen potentiële klanten als de Nederlandse fruittelers - die nachtvorstschade willen voorkomen - harde feiten eisen: hoe vaak zitten jullie goed? Juist omdat statistische gegevens op zoveel manieren kunnen worden gepresenteerd en geïnterpreteerd, zou het goed zijn indien een onafhankelijke organisatie richtlijnen zou opstellen voor een soort vergelijkend warenonderzoek, waarin de verschillende voorspellingen aan elkaar kunnen worden getoetst. Als dan eenmaal is vastgesteld dat het allemaal zo slecht nog niet is, zal niemand meer reden hebben tot klagen.