SOTIRIA BELLOU 1921 - 1997; Groots volkszangeres

De Griekse zangeres Sotiria Bellou is na een jarenlange ziekte in een ziekenhuis in Piraeus overleden, enkele dagen voor haar 76ste verjaardag. Zij leed aan keelkanker en was al twee jaar haar stem bijna geheel kwijt.

Bellou was de grootste zangeres van rebétika-liederen, het genre dat in de eerste decennia van deze eeuw ontstond in de voorsteden van Athene en Piraeus. Het zijn melancholieke volksliederen over de zelfkant van het leven, die in de jaren twintig en dertig opbloeiden en in de jaren zestig opnieuw populair werden. Geboren op het eiland Euboia, waar zij het zingen leerde van haar grootvader die voorzanger was, werd Sotiria Bellou als 18-jarig meisje door haar ouders gedwongen tot een huwelijk dat een mislukking werd.

Op 19-jarige leeftijd trok zij op eigen houtje naar Athene waar zij geld verdiende door op straat - voornamelijk Europese - liedjes te zingen. Iemand bracht haar in contact met Vasilis Tsitsanis, toen de bekendste componist en vertolker van rebétika. Spoedig was zij geheel in deze wereld ingeburgerd en werkte ze met bekende Griekse componisten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was ze actief in het Griekse verzet tegen de Duitse bezetters. Zij was overtuigd links. Om nooit opgehelderde redenen kwam zij in conflict met de justitie, waarna een langdurige depressie volgde. Over deze periode van haar leven liet zij zich nooit uit, ook niet nadat ze vroeg in de jaren zestig haar comeback had gemaakt.

Bijna vergeten trad zij in die tijd weer op in een klein zaaltje in de voorstad Peristéri, waar zij zittend, op pantoffels en met een groot boek voor zich - want zij was bang dat zij alles was vergeten - haar oude repertoire terugbracht. Zij zag er uit als een strenge schooljuffrouw, in saaie rokken of lange truien, maar als haar Dorische stem weerklonk, zonder enig vibrato, vergat je dat alles. Ten minste 25 langspeelplaten heeft Bellou sindsdien gemaakt. Ook bekende componisten van het 'kunstlied' als Savópoulos en Andreopoulos lieten zich door haar inspireren. Haar geld - 'Groot geld heb ik, klein geld heb ik niet' - verdobbelde ze, soms in verboden seances waarbij zij andermaal met het gezag te maken kreeg. Vaak leek zij tijdens haar optredens verveeld, omdat de oudere rebétika-cultuur langzaam maar zeker plaats moest maken voor de jeugd, die de eenmansdans 'zeïbekiko' massaal beoefende. Maar Bellou was ook in staat om zo'n hele groep jongeren van de dansvloer te sturen om een oude man in zijn eentje te laten dansen. Ook de socialistische premier Andreas Papandreou danste graag bij haar liederen.

Toen haar gezondheid afnam - zij werd ook bijna blind - raakte Bellou verbitterd. In het longziekenhuis waar zij de laatste jaren praktisch woonde, omringd door ikonen, wilde zij niet meer aan de muziek worden herinnerd en ook haar eigen stem niet meer horen. Conversatie moest met briefjes worden gevoerd. Daarop beklaagde zij zich dat bijna iedereen haar was vergeten en zelfs haatte.

Nog slechts enkelen wilde zij ontvangen, onder wie de leider van de ultra-nationalistische partij Samarás. Een van de laatste keren dat zij het longziekenhuis verliet was om Papandreou te bezoeken tijdens diens slepende ziekte, kort voor hij begin 1996 overleed.

Sotiria Bellou is nooit hertrouwd en had geen kinderen. Zij wordt morgen op staatskosten begraven, op Athenes 'Eerste Kerkhof', volgens haar wens naast Tsitsanis. Enkele van haar talloze succesnummers heten: Als ik doodga, wat zullen ze zeggen?; Ik leefde alleen, zonder liefde; Ik geloof niet in de vriendschap; Schooier heb je me op een avond genoemd zonder enige reden; Bewolkte zondag je lijkt op mijn hart (het beroemdste lied van Tsitsanis); Twee deuren heeft het leven en Huil niet, wees niet bang voor de duisternis.