ME'ers zijn de dupe van toverij met WAO

Kan iemand met een chronisch vermoeidheids-syndroom een arbeids-ongeschiktheidsuitkering krijgen? Deze vraag houdt juristen, uitkerings-instanties en politici bezig. A.T. Marseille beantwoordde de vraag onlangs op deze pagina ontkennend. P.B.Ph.M. Bogaers is een andere mening toegedaan.

De stafjurist dr. A.T. Marseille van de sector bestuursrecht van de rechtbank te Assen komt met een duidelijke visie van de rechterlijke macht: 'Mensen met ME hebben geen recht op WAO' (NRC Handelsblad, 18 augustus).

Voor deze stelling tracht hij steun te vinden in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter op het gebied van de sociale zekerheid. Geenszins stelt de jurisprudentie van deze beroepsinstantie evenwel de nadrukkelijke eis dat alleen dàn sprake is van ziekte in de zin van de WAO “wanneer voor klachten een objectief vaststelbare medische oorzaak wordt gevonden”.

Die formulering heeft de Centrale Raad van Beroep nimmer gebruikt. De raad hanteert sinds jaar en dag het uitgangspunt dat men arbeidsongeschikt is wanneer dit gebaseerd is op “medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten”. Nergens heeft de raad gesteld, dat per definitie objectief vastgestelde medische oorzaken ten grondslag moeten liggen aan iemands lijden.

Wel suggereert de jurisprudentie van de raad in zaken betreffende mensen die lijden aan ME (myalgische encefalomyelitis, chronisch vermoeidheidssyndroom), dat die eis besloten ligt in het wettelijke criterium per 1 augustus 1993: “Dat de arbeidsongeschiktheid het rechtstreeks en objectief medisch gevolg moet zijn van ziekte en/of gebreken”.

De richtlijn 'Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium' van september 1996 van het TICA (Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de voorloper van het Landelijk instituut sociale verzekeringen LISV) geeft niets anders weer dan de goede verzekeringsgeneeskundige praktijk, die zich in de afgelopen decennia in Nederland heeft ontwikkeld aangaande de vraag hoe men als verzekeringsarts dient om te gaan met vragen naar het verband tussen ziekte en arbeidsongeschiktheid.

In weerwil van de Centrale Raad van Beroep, die nimmer het begrip objectief heeft gedefinieerd (waardoor de raad er alle kanten mee uit kan), geeft deze richtlijn wèl een goede omschrijving van het begrip objectief/objectiveerbaarheid.

Men dient zich te bepalen tot de feiten, niet beïnvloed door eigen gevoel of vooroordelen. Feiten worden vastgesteld door zintuiglijke waarnemingen. Objectief wordt vaak uitgelegd als visueel waarneembaar. Echter ook auditieve waarneembaarheid en sensitieve waarnemingen, tactiele of olfactorische waarnemingen kunnen even waardevolle andere zintuiglijke waarnemingen zijn, aldus deze richtlijn.

Van belang is dat de verzekeringsarts zich telkens afvraagt of zijn waarneming reproduceerbaar is. In wetenschappelijke termen spreekt men van betrouwbaarheid. Objectiviteit moet volgens deze richtlijn opgevat worden als “zo groot mogelijke objectiviteit”, aangezien altijd subjectieve percepties en interpretaties meespelen bij de verzekeringsarts, bij de cliënt en bij alle andere betrokkenen.

Vanzelfsprekend heeft het TICA rekening gehouden met de tot dan toe bestaande en sedertdien gecontinueerde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Deze TICA-richtlijn past in het stelsel van de wet en is geenszins contra-legem.

Iets anders is dat de raad op de stoel van de wetgever is gaan zitten door ziekten als ME, waaronder de ongedifferentieerde somatoforme stoornis, in psychiatrische zin uit te sluiten van ziekten die kunnen leiden tot een wettelijk te erkennen arbeidsongeschiktheid.

De raad is daarenboven ook op de stoel van de arts gaan zitten door deze diagnosen uit te sluiten van ziekten, die kunnen leiden tot arbeidsongeschiktheid.

De Centrale Raad van Beroep maakt zich voorts schuldig aan ernstige discriminatie in strijd met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Er is geen enkele redelijke rechtvaardigingsgrond voor het onderscheid tussen mensen, die lijden aan het chronisch vermoeidheidssyndroom en mensen die lijden aan andere ziekten.

In dit verband moet worden opgemerkt, dat alle psychiatrische ziekten niet te herleiden zijn tot een oorzaak, terwijl de Centrale Raad van Beroep toch nimmer geoordeeld heeft, dat het lijden aan psychiatrische ziekten niet tot gevolg kan hebben dat men in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Met dit alles wordt door Marseille geen enkele rekening gehouden.

De richtlijn van het TICA betoogt juist houvast te geven aan verzekeringsartsen om meer deskundig hun werk te doen ook ten aanzien van alle andere ziekten dan ME. Het is een generale richtlijn. In dit verband wil ik het hoofdredactioneel commentaar in het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde uit oktober 1995 aanhalen: “Wetenschappelijk onderzoek binnen het domein van de (sociale) verzekeringsgeneeskunde is opvallend schaars. Dat wekt verwondering op gezien de enorme maatschappelijke en financiële implicaties van verzuim en arbeidsongeschiktheid. Maar het is ook een verontrustende constatering in een periode waarin wetenschappelijke voeding hoogst noodzakelijk en hinderlijk aanwezig dient te zijn”.

Geconcludeerd moet worden, dat de Centrale Raad van Beroep in de afgelopen decennia nimmer ook maar enige richting heeft gegeven aan een goede verzekeringsgeneeskundige praktijk, en dat het begrip objectief door de raad telkenmale is gehanteerd als een toverformule, waarmee men zelf politiek kan bedrijven door mensen uit te willen sluiten van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.