Illegale naaiateliers in de VS; Liever belazerd dan opgevallen

De adressen van illegale naaiateliers In de VS, 'sweatshops', zijn op het Internet te vinden. Het is dus geen probleem ze te vinden, maar toch wordt er niet werkelijk effectief tegen opgetreden - hun aantal groeit zelfs, meent de vakbeweging.

In 1995 werden ze bevrijd - 72 immigranten uit Thailand die 17 uur per dag kleding hadden moeten naaien, die als slaven vastgehouden waren geweest onder bedreiging van moord en verkrachting in een door prikkeldraad omgeven kamp, die per uur 60 tot 160 dollarcent betaald hadden gekregen in een tijd dat het minimumloon 4,25 dollar bedroeg. Ze werden bevrijd doordat een van hen via een luchtkoker wist te ontsnappen en de autoriteiten van El Monto (Los Angeles) op de hoogte bracht van de sweatshop om de hoek.

Nu is het 1997 en hebben mensenrechtenorganisaties, vakbonden en kledingfabrikanten in de Verenigde Staten een akkoord gesloten om de wereld te ontdoen van zijn sweatshops, voorzover dat in hun macht ligt. Het akkoord beslaat een gedragscode ten aanzien van loon, werkuren en werkomstandigheden en creëert een 'no sweat'-label voor kleding en schoenen die ethisch verantwoord zijn geproduceerd. El Monto was 'nodig' om dit akkoord van de grond te krijgen. Dit moge zo zijn, maar ten onrechte wordt door de betrokkenen de indruk gewekt dat met het naaiatelier in Los Angeles het hele probleem uit Amerika verdween.

“Amerikanen willen voor de gek gehouden worden”, meent Ginny Coughlin van de textielwerkersvakbond UNITE - een van de weinige organisaties die zich actief met binnenlandse sweatshops bezighoudt. “Het is onderdeel van hun cultuur. Ze denken graag dat de VS het meest fantastische land ter wereld is. Natuurlijk concentreren zij zich niet op sweatshops in eigen land.”

Naar conservatieve schatting van het ministerie van Arbeid worden in de helft van Amerika's 22.000 kledingfabrieken een of meer arbeidswetten geschonden. Veiligheidsvoorschriften worden niet nageleefd, overuren worden niet uitbetaald, werknemers worden geslagen, bedreigd, seksueel lastiggevallen. Soms heeft er kinderarbeid plaats. Met adres en al zet het ministerie de namen van wetsovertreders op een lijst die via Internet ingekeken kan worden.

Jeans-gigant Guess? staat op die lijst als producent die in sweatshops zijn spijkerbroeken laat maken. In een reactie laat Guess? bij monde van juridisch adviseur Stanley W. Levy weten dat “er intussen intensief contact met het ministerie is geweest en dat alle problemen zijn opgelost”. May Department Stores staat eveneens te boek als verkoper van sweatshop-kleding. De grote warenhuizen die May bezit, zoals Lord & Taylor's, Filene's en Kaufmann's, hangen er volgens UNITE letterlijk vol mee. De warenhuisketens van May zijn landelijk verspreid. May ontkent elke betrokkenheid. Het zegt dat de sweatshops waar de vakbond over praat, nog geen sweatshops waren toen ze kleding voor May produceerden, maar ateliers die zich aan de wet hielden.

Het ministerie van Arbeid spreekt wetsovertreders aan, waarschuwt hen en deelt boetes uit. Toereikend lijkt het niet te zijn. “In New York, Los Angeles, San Francisco en Miami groeit het aantal sweatshops in een alarmerend tempo”, aldus een recente uitgave van UNITE's bondsblad.

De internationale concurrentie op de kledingmarkt is dezer dagen zo moordend, de druk om goederen steeds goedkoper te leveren is zo groot, dat de VS illegale praktijken om de produktiekosten laag te houden, niet weten te weren. “Maar soms denk ik ook: wellicht willen ze die praktijken ook niet weren”, zegt Coughlin, die de anti-sweatshop-campagne leidt voor UNITE. “Sweatshops vormen het snijpunt van botsende belangen. Mensen zeggen: 'als iedereen weet waar de shops zijn, waarom worden ze dan niet gewoon gesloten?'. Bij sluiting verdwijnen honderdduizenden banen; de VS prijzen zich bovendien compleet uit een lucratieve markt. Ik weet niet of medewerkers van het ministerie van Arbeid letterlijk zo denken, maar er moeten mensen in de top zijn die dit ook bedacht hebben.”

Volgens Coughlin zijn er aanwijzingen dat Robert Reich, tot begin dit jaar minister van Arbeid onder Clinton, machteloos stond tegen het economisch belang van sweatshops. “Ik kan me zelfs voorstellen dat Robert Reich vorig jaar is vertrokken als minister van Arbeid mede door dit besef. Waarschijnlijk heeft hij gedacht dat er weinig meer voor hem te doen was, dat de strijd tegen sweatshops op een bepaald punt als het ware ophield.”

Reich had sweatshop-arbeid hoog op de agenda van zijn ministerie staan, overigens tot ongenoegen van president Clinton. Onder Reichs bewind publiceerde het ministerie flink wat informatie over het onderwerp op Internet. Dat gebeurt nu niet meer. De lijst met namen van wetsovertreders is alles wat rest, en goed beschouwd betreft deze lijst 'alleen maar' fabrikanten die hun werknemers geld verschuldigd zijn. Rapporten over andere illegale praktijken zoals kinderarbeid bestaan wel, maar zijn niet toegankelijk. Een medewerker van het departement in Washington zegt dat hij best wil praten - anoniem - maar geeft vervolgens nauwelijks antwoord op vragen. Na Reich heerst er relatieve stilte, meent Coughlin.

Die stilte doet volgens haar de mythe herleven dat sweatshops een fenomeen zijn van het verleden of van ontwikkelingslanden. De mythe versterkt vervolgens weer de stilte. Dat de VS weinig organisaties en politici tellen die zich inzetten voor werknemers van binnenlandse sweatshops, heeft echter nòg een oorzaak, meent Linnea Nelson. Nelson is medewerker van het Workers Justice Center in New York, een groepering gelieerd aan UNITE die sweatshop-werkers organiseert en aanspoort op te komen voor hun rechten. Meer dan de helft van die werkers is illegale immigrant. Precies hierin, zegt Nelson, schuilt het probleem.

“Er waart de laatste jaren een soort nationalisme door de VS. Immigranten worden met een zweem van racisme benaderd, zeker wanneer ze geen papieren hebben. In die context is het moeilijk organiseren rond het idee dat ook illegalen een fatsoenlijke behandeling verdienen.” Volgens Nelson vindt de aversie tegen immigranten zonder geldige papieren haar weerslag onder meer in het opgevoerde aantal invallen in sweatshops door de Immigratie en Naturalisatie Service (INS).

Niet bekend

“Het is beter om een paar keer belazerd te worden door je baas, denken veel illegale werknemers, dan om op te vallen”, zegt ze. “Dus houden ze hun mond wanneer hun loon niet op tijd komt, of wanneer hun overuren niet worden uitbetaald. Alles wat de werkgever hoeft te doen, is de naam INS laten vallen - en iedereen is stil.” Daarnaast, zegt ze, drukt de INS sweatshops nóg verder ondergronds. En daarmee zit de dienst in het vaarwater van het ministerie van Arbeid, dat de kledingindustrie juist zoveel mogelijk in het daglicht probeert te slepen. Hoe dieper sweatshops de illegaliteit worden ingeduwd, hoe moeilijker het voor het ministerie is om werkgevers de wet te doen respecteren.

Makkelijk was dat toch al niet. In 1993 is berekend dat de toenmalige personele bezetting van onderzoeksinspecties slechts één bezoek aan elke verborgen werkplek zou toestaan in 84 jaar. Gegeven het 'gehak' in het budget sinds het Reagan-tijdperk, zoals Couglin van UNITE het noemt, zal de situatie nu niet veel beter zijn. Volgens haar en ook volgens Nelson zijn de inspecteurs van het ministerie zeer toegewijd, maar zijn hun middelen beperkt. “Voor de hele staat New York is er welgeteld één persoon die kledingfabrieken inspecteert op naleving van de arbeidswet”, aldus Nelson.

Dat is waar, maar ook niet waar. Louis Vanegas, de inspecteur in kwestie, is de enige die zich voor de staat New York exclusief met de kledingindustrie bezighoudt. Maar hij wordt geassisteerd door dertien anderen, die ook gelegenheden als restaurants en hotels inspecteren. Daarnaast is er een team van de federale overheid van zestien tot achttien arbeidsinspecteurs. “Daar zouden we informatie mee moeten delen, maar dat gebeurt niet altijd”, zegt Vanegas. “Er is nogal wat competitie tussen de twee teams.”

De aanpak van sweatshop-arbeid wordt op die manier niet effectiever, geeft hij toe. Terwijl sweatshop-eigenaren toch al weinig moeite hebben het ministerie van Arbeid te ontlopen. “Een naaiatelier is namelijk heel gemakkelijk te verplaatsen. Het is zo vaak gebeurd dat wij een onderzoek uitvoerden, ons bewijs bij elkaar hadden, en vervolgens met lege handen stonden doordat de eigenaar zijn spullen had gepakt en de zaak had gesloten - om onder een andere naam op een andere plek opnieuw te beginnen.”

Het ministerie is daarom van tactiek veranderd. “Tegenwoordig stappen we direct naar de fabrikant. Die heeft het werk uitbesteed aan sweatshops; die is degene die contracteurs dwingt steeds goedkoper te produceren; die houden we dus verantwoordelijk.” De fabrikant zegt meestal van niets te weten en zodoende ook niet aanprakelijk te zijn. Toch kiezen de meesten van hen voor een schikking in plaats van een rechtszaak. “Ze weten dus heel goed dat ze schuldig zijn”, aldus Vanegas.

Wanneer je voor een dollar een jurk laat maken, kan dat ook niet anders, meent Nelson. 'Haar' Workers Justice Center, dat vooral klachten over loonachterstand binnenkrijgt, spreekt deze dagen eveneens alleen nog maar fabrikanten aan. “Bij contracteurs valt geen cent te halen, die hebben zelf ook niets. De fabrikanten en de uiteindelijke verkopers strijken het geld op. Die zetten we onder druk.”

In zes jaar tijd is zo meer dan een miljoen dollar aan loon uitbetaald dat anders waarschijnlijk bij de winst zou zijn opgeteld. Dit is aan de ene kant een succes, zegt Nelson, maar aan de andere kant een tastbaar bewijs van de uitbuiting van velen. Een uitbuiting die voortduurt, al staat er op een bordje in de etalage van een goedkope kledingzaak in Manhattans sweatshopdistrict: 'Niets duurt eeuwig, ook je ellende niet'.

    • Natasja Nossent