Historie; Altijd in het weer

Het weer sinds 764. 'Weerhistoricus' Jan Buisman raakt niet uitgeschreven over zijn 'ongeneeslijke fascinatie'.

Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, door Jan Buisman. Uitgever: Van Wijnen (Franeker), en KNMI . Prijs: 69,50 gulden per deel.

'MIJN HELE LEVEN ben ik als het ware achtervolgd door het weer en alles wat ermee samenhangt'', verklaart Jan Buisman zijn fascinatie voor meteorologische verschijnselen en in het bijzonder de gevolgen daarvan. Nog meer in het bijzonder: het weer en zijn invloed op mens en dier in de vaderlandse geschiedenis. Of andersom geformuleerd: het dagelijks leven door de eeuwen heen aan de hand van het weer.

De 72-jarige historisch-geograaf uit Den Haag, ex-onderwijzer en gewezen leraar, is de auteur van circa twintig boeken over dit thema, uitmondend in zijn magnum opus 'Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen'. Het betreft een serie dikke pillen, die hij schrijft in samenwerking met het KNMI in De Bilt. Twee delen, die de tijdvakken 764-1300 en 1300-1450 beslaan, zijn inmiddels verschenen. Drie moeten er nog volgen: over de periodes 1450-1600 (waarschijnlijk eind dit jaar), 1600-1800 en 1800-2000.

“Het begon al kort na mijn geboorte in Culemborg”, zegt Buisman. “In 1926, toen ik amper een jaar oud was en achter de Beusichemse Lekdijk woonde, werd het rivierenland getroffen door een watersnood. Daar kan ik me natuurlijk niets van herinneren en het is voor ons ook goed afgelopen, maar wat er drie jaar later gebeurde, weet ik nog wel. De Lek vroor dicht, zodat je er overheen kon lopen. Wonderlijk vond ik dat: waar anders de veerpont voer, lag nu een min of meer gebaande weg.”

Kort daarna verhuisde de jonge Jan, zoon van een belastingambtenaar, naar Borculo in de Gelderse Achterhoek. “En juist dat stadje was in 1925 verwoest door een wervelstorm en had daarmee internationale bekendheid verworven. De honderden nieuwe daken herinnerden nog jaren aan de ramp. En de asbakken met een afbeelding van de katholieke kerk, die zijn toren was kwijtgeraakt.”

In december 1938 - hij was toen dertien en woonde in Den Haag - nam zijn belangstelling voor het weer naar hij zegt “schier ongeneeslijke” vormen aan. “Na een korte, felle koudegolf besloot ik voortaan drie keer per dag temperatuur, luchtdruk, wind, sneeuwdek, onweer, enzovoort te noteren, mijzelf daarmee dwingend instrumenten en de hemel te observeren en mij rekenschap te geven van alles wat ik zag. Ik heb deze weerkundige waarnemingen voortgezet tot 1952 en mijn notities hebben gelukkig de oorlog overleefd.”

Maar meer nog dan het weer zelf boeit hem de nasleep daarvan. “Zojuist weer die rampzalige overstroming in Polen, een gevolg van ongekend zware regenval. Zo ook in het verleden, waarbij ik altijd het dagelijkse leven van de gewone man als uitgangspunt neem. Er is geen groente verkrijgbaar, want het vriest. Er is geen vis, want het is te warm, waardoor de vis bederft.”

De reeks is met vele voorbeelden uit zijn boeken uit te breiden: misoogsten en hongersnood door aanhoudende droogte, wolven die graven openklauwen als onverhoeds en voortijdig de winter invalt en paarden die verkommeren door voedselgebrek.

Als historisch-geograaf bedrijft Buisman aardrijkskunde in het verleden. “Het beroerde is alleen dat je er niet meer naar toe kunt, zodat je historische bronnen moet raadplegen. En dat is een hachelijke zaak, want wie garandeert dat zo'n bron, een kroniek, dagboek of rekening, correct is? Belangrijk is te weten of het een contemporaine bron is, zowel in tijd als in ruimte.

Met andere woorden: de geraadpleegde schrijver moet een tijdgenoot zijn en als het even kan een ooggetuige van wat er toen is gebeurd. Dan ben je al een heel eind verder.''

Hij noemt als kenmerkend voorbeeld Godevaert van Haecht, een achttienjarige knaap uit Antwerpen, die een kroniek heeft nagelaten over de troebelen aldaar in de jaren 1565 en '66. Buisman: “In zijn eerste notities maakt Godevaert melding van een dichtgevroren Schelde met een markt op het ijs. Dan zeg ik: dat is betrouwbaar, want hij heeft het met eigen ogen kunnen zien. Maar hij beschrijft ook een overstroming in Noord-Italië en dan is wantrouwen op zijn plaats, want daar is hij zelf niet bij geweest. Hij heeft het ook maar van horen zeggen. Of had hij misschien een tante in Noord-Italië, die daarover heeft geschreven? In dat geval neemt de geloofwaardigheid van deze bron weer toe.”

Wat Buisman met zijn geschriften mede beoogt, is “het opruimen van legenden”. In deel 2 van 'Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen' behandelt hij onder meer de Sint Elisabethsvloed van 1421, die te boek staat als de meest beruchte stormvloed uit de Nederlandse geschiedenis. Hierdoor kwam de Grote of Zuid-Hollandse Waard, zuidoostelijk van Dordrecht, geheel onder water te staan, wat het begin van de Biesbosch betekende.

Maar was het allemaal wel zo erg als menigeen beweert? Buisman: “Vorig jaar las ik het tot mijn stomme verbazing nog in een pas verschenen boek: bij de Sint Elisabethsvloed zijn in één nacht 72 dorpen verzwolgen en honderdduizend mensen verdronken. Maar dat is schromelijk overdreven, die aantallen berusten op pure legendevorming die maar niet op wil houden. Zoveel mensen woonden er bij lange na niet in deze contreien. Heel Nederland telde toen hooguit een half miljoen bewoners.”

Het cijfer van honderdduizend doden moet ontleend zijn aan de befaamde kroniek van Koelhoff uit Keulen, die in 1499, dus 78 jaar na de stormvloed, verscheen. Buisman baseert zich liever op een contemporaine, anonieme kroniekschrijver uit Tiel, die kort na de ramp noteerde: “Daags na Sint Elisabeth (19 november) woedde er 's nachts zo'n hevige storm, dat de wind met orkaankracht in Tiel en elders verschillende huizen omver blies en in Holland door dijkdoorbraken veel schade aanrichtte. Tweeduizend mensen zijn, naar men zegt, verdronken.” Buisman: “Dat cijfer maakt uiteraard geen aanspraak op nauwkeurigheid, maar staat waarschijnlijk niet ver van de realiteit en daarom heb ik het overgenomen.

Volgens de Haagse 'weerhistoricus' is in de gangbare geschiedschrijving de relevantie van natuurrampen jarenlang ernstig onderschat. “En naar mijn mening is dit soms nóg het geval. Niet zelden worden zelfs in gerenommeerde historische naslagwerken de natuurrampen bijna volledig genegeerd. Catastrofale orkanen, stormvloeden waarbij duizenden mensen omkwamen en ernstig landverlies optrad, extreem strenge winters die grote economische schade teweegbrachten, rampzalige hagelbuien met kapitale schade aan graan- en wijnoogst en last but not least rivieroverstromingen, gepaard gaande met verwoestende bodemerosie en het verlies van honderden bruggen en watermolens - men zoekt er meestal tevergeefs naar.”

Voor Buisman is dat alles gesneden koek, waarbij hij zich, anders dan de titel van zijn levenswerk doet vermoeden, niet tot de Lage Landen beperkt, maar die ver overschrijdt. “Het weer houdt nu eenmaal niet op bij Oldenzaal en Poperinge.” Nog voor de eeuwwisseling moet het laatste deel - 1800 tot heden - verschijnen. Ditmaal wellicht met oral history, bijvoorbeeld over die tornado van Borculo? Want er zijn zeker nog levende ooggetuigen. Buisman: “Ik betwijfel of ik dáár wel de tijd voor zal hebben. Al die interviews, die je nauwgezet moet uitwerken. Nee, ik denk dat ik op schriftelijke bronnen, waaronder natuurlijk krantenverslagen, blijf steunen.”