Fernand Braudel posthuum

Toen ik onlangs voor het eerst de nieuwe Franse Bibliothèque Nationale bezocht, ontdekte ik enigszins tot mijn verbazing dat de straat die er langs loopt de rue Fernand Braudel is genoemd. Ik was niet alleen verbaasd, maar ook een beetje geschokt. Straten en pleinen worden doorgaans genoemd naar vorstelijke personen en overledenen.

Nu is Braudel inderdaad al weer een aantal jaren dood, maar het is toch moeilijk om hem als iemand uit het verleden te beschouwen. Dat komt, geloof ik, doordat zijn manier van geschiedenis beoefenen zozeer het karakter van een gesprek, een dialoog, had dat je hem als je zijn werk leest als het ware direct weer voor je ziet.

Braudel is overleden en er is al een straat naar hem genoemd, maar op indirecte wijze is hij nog steeds onder ons. Vrij kort geleden verschenen twee biografieën (Pierre Daix, Braudel en Giuliana Gemelli, Fernand Braudel) naast tal van andere beschouwingen. Een groot deel van zijn nagelaten en ongepubliceerde werk verschijnt op dit moment in druk. Dit werk, Les Ecrits de Fernand Braudel, is gepland in drie delen. Na het eerste deel, Autour de la Méditerranée, verscheen onlangs een nieuwe selectie, Les Ambitions de l'Histoire. Deze forse bundel bevat een dertigtal artikelen en bijdragen, gepubliceerde en ongepubliceerde. Er zijn een aantal klassieken bij, zoals 'Histoire et sociologie' en, de bekendste van alle, 'La longue durée', maar ook een aantal onbekende en niet eerder in het Frans verschenen teksten.

Het was bepaald een sensatie hier de voordracht terug te vinden die Fernand Braudel in 1975 in Leiden heeft gehouden ter gelegenheid van de opening van het Centrum voor de Geschiedenis van de Europese Expansie. 'L'Expansion européenne et la longue durée', heet deze lezing. Zoals de meeste aanwezigen bewaar ik hieraan een zeer levendige herinnering, niet alleen vanwege de inhoud, maar ook en vooral vanwege de presentatie. Braudel, die een formidabel geheugen had, gaf die lezing van meer dan een uur namelijk geheel uit het hoofd. Er werden bij die gelegenheid nog meer voordrachten gehouden en die werden vervolgens bewerkt voor een bundel, die in het Engels is uitgegeven: Expansion and reaction.

Zo'n bundel redigeren is altijd vrij veel en vrij vervelend werk, maar in dit geval was er een bijzondere complicatie, want hoe kwamen wij aan de bijdrage van Braudel? Er was immers geen geschreven tekst. Wij hadden slechts een bandopname. Een studente Frans heeft die opname uitgewerkt. Die tekst hebben wij nagekeken en gecorrigeerd en daarna naar Braudel gestuurd ter goedkeuring. Daarna moest hij nog in het Engels worden vertaald en weer opgestuurd ter goedkeuring, maar dat laatste was een formaliteit, want Braudel kende nauwelijks Engels. Dat was nu eenmaal geen belangrijke geleerdentaal in zijn generatie (Braudel was van 1902). Hij kende wel Duits en tijdens de oorlog zal zijn kennis van die taal sterk zijn verbeterd door de vijf jaar die hij als krijgsgevangene in Duitse kampen heeft doorbracht, eerst in Mainz, daarna in Lübeck. In dat laatste kamp zat hij samen met een andere deelnemer aan het congres, de bekende Afrika-historicus Henri Brunschwig. Een derde deelnemer, de Engelse historicus Ronald Robinson, kende Lübeck alleen uit de lucht, want hij had die stad tijdens de oorlog vaak gebombardeerd. Maar dat kamp gelukkig niet.

Die jaren van gevangenschap zijn voor Braudel geen verloren tijd geweest. Hij gaf colleges voor zijn lotgenoten en hij schreef zijn proefschrift, uit zijn hoofd, zonder aantekeningen. Dat proefschrift van meer dan 1.200 bladzijden, zou een van de beroemdste historische boeken van de twintigste eeuw worden: La Méditerranée et le monde méditerrané en à l'époque de Philippe II. Paule Braudel, zijn weduwe, heeft in een artikel in L'Histoire (No. 207, februari 1997) uiteengezet hoe dat werk is ontstaan. Zij beschrijft hierin de hele ontstaansgeschiedenis, niet alleen de kampjaren, maar ook de vele jaren van voorbereiding in Algerije, Brazilië en Frankrijk - waar Braudel achtereenvolgens doceerde - en zijn onderzoek in de archieven van de vele Middellandse-Zeelanden waar hij werkte. In 1938 zette hij zich ten slotte tot het schrijven van zijn proefschrift. Het volgende jaar echter begon de Tweede Wereldoorlog.

Na de val van Frankrijk in 1940 raakte Braudel in krijgsgevangenschap. In het kamp nam hij, zoals gezegd, de draad weer op. Op 25 januari 1941 schreef hij zijn vrouw: “Mijn boek is klaar (1.600 bladzijden), oef!” Niets bleek echter minder waar. Er kwam een nieuwe versie. En nog één en nog één. Pas in april 1944 kreeg het werk zijn definitieve vorm met de later zo beroemd geworden driedeling in lange, middellange en korte duur. Vanwaar die indeling? Daarover is veel geschreven, maar de verklaring is mijns inziens vrij simpel. Braudel had in de loop der jaren een grote hoeveelheid gegevens verzameld en die moesten allemaal bewerkt en geordend worden. Het probleem was echter dat ze van zeer verschillende aard waren. Sommige hadden betrekking op aspecten van het leven die in feite ondateerbaar, want van alle tijden, zijn: de wisseling der seizoenen, de gevaren van de zee, de ongewisheid van de oogst. Andere, zoals de ontwikkeling van handel en transport, van lonen en prijzen, waren weliswaar niet tijdloos, maar besloegen toch een veel ruimer tijdsbestek dan de regeringsperiode van Filips II waar het boek over ging. Weer andere ten slotte waren tot op de dag dateerbaar: veldslagen, verdragen, politieke besluiten. Zulke onderwerpen kun je niet allemaal door elkaar behandelen. Dan wordt het een rommeltje. Vandaar dat Braudel ze ordende volgens hun tijdsduur. Zoals altijd werd, toen de compositie eenmaal gevonden was, het werk lichter. “Tout est simple maintenant”, schreef hij eind 1944 aan zijn vrouw.

Over die driedeling is buitengewoon veel en niet zelden uiterst gewichtig gedebatteerd en geargumenteerd. Sommigen zagen er de basis voor een nieuwe geschiedfilosofie in. Ik zelf heb daar nooit in geloofd. Ik heb het altijd primair gezien als de oplossing van een compositieprobleem en ik was blij deze visie in dit artikel bevestigd te zien. Die theorieën en ideeën zijn overigens nog steeds inspirerend genoeg. Sinds 1991 worden iedere twee jaar de Braudel-dagen gehouden. Dit jaar vonden zij plaats in het Netherlands Institute for Advanced Study in Wassenaar. Braudels weduwe en zijn belangrijkste geestelijke erfgenamen waren hierbij aanwezig, alsook een keur van Nederlandse economische historici. Zij debatteerden met enthousiasme en energie over het werk van Braudel en over typisch braudeliaanse thema's als economische groei, het kapitalisme en de industriële revolutie. De meester is dood, maar zijn gedachtegoed blijkt nog springlevend.