Een stuk of wat gedichten

Guus Middag verwerkte ruim dertig poëzie-citaten in een prozatekst: een Poëziekwis die verscheen in de themabijlage Profiel (12 juni) ter gelegenheid van het festival Poetry International. Onder de goede inzendingen zijn drie paketten met dertig poëziebundels verloot van dichters die hebben opgetreden op Poetry. De bundels zijn gewonnen door: A. Dröge-Albers, De Meern; N. Rogier, Vught; H.M.D. Veldhuis-van Tetterode, Boekelo.

“Alles kan ik verdragen', wist de poëziecriticus, want dat was nu eenmaal zijn vak. 'Het verdorren van bonen, stervende bloemen, het hoekje aardappelen' (1). 'Zon, Bach, Kant' (2) - wat al niet. Maar dat hij zelf niet dichten kon: dat verdroeg hij niet. 'Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard' (3) en keek nog eens 'door de geopende ramen waarlangs de wereld slaat; zonder zich te beraden stapte hij de deur uit, helder en zonder vrees' (4). 'Hij liep betrekkelijk vlug, de man, maar niet vlug genoeg of ieder raam besloeg door de adem uit de mond die zich sperde, maar woorden niet vond al sperde hij zich nog zo wijd' (5).

Hij begaf zich naar het station. In de hal stond 'een apparaat met knoppen en met gleufjes en de tekst 'Zoek uw bestemming en druk dan de knop in'' (6). Hij kocht een enkele reis Nergenshuizen, want in 'Nergenshuizen ligt Allekanten' (7) en daar wilde hij naar toe. 'Hij kocht de krant in de stationskiosk, zag toen door een wachtkamerraam de slapende dwaler aan de formicatafel vol peuken en plastic bekers' (8). 'Arm en beschaamd zo arm te zijn' (9). 'Geen geld, geen vuur, geen speed' (10).

'Tussen, in haar heils-uniform, een jonge vrouw, toeristen met rugzakken op de schouders, kinderen, vrouwen, arbeiders' (11) begaf de criticus zich haastig naar het perron. 'Dit is de ware wedloop met de tijd' (12), want 'de klok verspringt van minuut naar minuut. De machinist staat leunend uit te turen', dus lang kan het niet meer duren. Hij springt in de gereedstaande trein en 'zij vertrekt op het voorgeschreven uur' (13).

'Weer staan de huizen hun gouden achterkanten in de zon te branden' (14). Even later kijkt hij uit over 'fabrieksterreinen waar tussen arm'lijk gras de lorrie rijdt, bevracht met het geheim der dokspoorlijnen' (15). Eenmaal buiten de stad ziet hij 'brede rivieren traag door oneindig laagland gaan, rijen ondenkbaar ijle populieren als hoge pluimen aan de einder staan' (16). Meer dan eens passeert hij een klein 'huis dat aan de spoorbaan staat, waarlangs de koorts van 't reizen komt gevlogen' (17). 'Seinwachtershuisjes dobbelen voorbij' (18).

Dan begint de trein vaart te minderen. Langzaam rijdt hij een spoorbrug op. In de uiterwaarden, in het gras, ligt een man met zijn 'hoofd vol van het landschap wijd en zijd' (19). Bij die aanblik herinnert de criticus zich pijnlijk: 'zo ben ik vroeger ook geweest. Die gaafheid en zachtzinnigheid, onzware ernst en droomrigheid, o kon ik dat nog ééns herwinnen, kon ik nog ééns opnieuw beginnen' (20).

Juist op dat moment houdt de trein stil, 'met een godverlaten knars' (21). En in deze stilte welt een verlangen naar een lied in hem op. Hij 'wil dat dit lied klinkt als het gefluit, dat hij vaak hoorde voor een zomernacht in een oud stadje, langs de watergracht' (22). “Tjielp tjielp - tjielp tjielp tjielp” (23), zingt de criticus en “pirix pirix tjuwie tjuwie tjitjuwuwu” (24) en “Zie, zie, zie, zie! zie! zie!” (25). 'Groots is het liedje niet' (26), maar 'alles is veel voor wie niet veel verwacht' (27). 'De reizigers die bij hem zaten, verrast door zulk een passagier betuigden luidkeels hun plezier, en gingen het geval bepraten' (28). 'Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten, voor de rechtvaardiging van een bestaan' (29)? vroeg de criticus. En toen de coupé nee bleef schudden, riep hij: 'alleen in mijn gedichten kan ik wonen' (30). Hij opende het portier, stapte uit de trein en meteen ook maar van de brug. 'Springen kon je het niet noemen' (31). Maar 'tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren' (32). Hij belandde op een schip dat juist langzaam stroomaf door de brug kwam gevaren. Een vrouw stond bij 't roer, zij was alleen aan dek. 'Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren' (33)

De uitslag van de poëziekwis

(1) Rutger Kopland, 'Jonge sla'. In: Alles op de fiets (1970).

(2) J.A. dèr Mouw, “k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.' In: Brahman (1919).

(3) Willem Elsschot, 'Het huwelijk'. In: Verzen van vroeger (1934).

(4) H. Marsman, 'De grijsaard en de jongeling'. In: Witte vrouwen (1930)

(5) Martinus Nijhoff, 'Het uur U'. In: Nieuwe gedichten (1934).

(6) Anton Korteweg, 'Den Haag Centraal'. In: Geen beter leven (1985).

(7) Gerrit Komrij, 'Atlas'. In: De os op de klokketoren (1981).

(8) Remco Campert, 'De realist op het perron'. In: Theater (1979).

(9) M. Vasalis, 'Sotto voce'. In: Vergezichten en gezichten (1954).

(10) J.A. Deelder, 'Blues On Tuesday'. In: Dag En Nacht Geopend (1970).

(11) Martinus Nijhoff, 'Awater'. In: Nieuwe gedichten (1934).

(12) S. Vestdijk, 'De uiterste seconde'. In: Gestelsche liederen (1949).

(13) Martinus Nijhoff, 'Awater'. In: Nieuwe gedichten (1934).

(14) Chr. J. van Geel, 'Weer staan de huizen hun gouden achterkanten in'. In: Uit de hoge boom geschreven (1967).

(15) S. Vestdijk, 'Zelfkant'. In: Kind van stad en land (1936).

(16) H. Marsman, 'Herinnering aan Holland'. In: Poëzie (1938).

(17) J.C. Bloem, 'Het baanwachtershuisje'. In: Het verlangen (1921).

(18) Gerrit Achterberg, 'Rollend materieel'. In: Spel van de wilde jacht (1957).

(19) Martinus Nijhoff, 'De moeder de vrouw'. In: Nieuwe gedichten (1934).

(20) M. Vasalis, 'Het ezeltje'. In: Parken en woestijnen (1940).

(21) Gerrit Achterberg, 'Hulshorst'. In: Eiland der ziel (1939).

(22) Herman Gorter, 'Mei' (1889).

(23) Jan Hanlo, 'De mus'. In: Niet Ongelijk (1957).

(24) Hans Warren, 'Aubade met lijsters'. In: Verzamelde gedichten 1941-1971 (1972).

(25) Guido Gezelle, 'Gierzwaluwen'. In: Laatste verzen (1901).

(26) Dick Hillenius, 'De leeuwerik'. In: Een klein apparaat tegen rechtlijnigheid (1975).

(27) J.C. Bloem, 'De Dapperstraat'. In: Quiet though sad (1946).

(28) N.E.M. Pareau, 'Voorval'. In: XXVIII sonnetten (1941).

(29) J.C. Bloem, 'Dichterschap'. In: Sintels (1945).

(30) J. Slauerhoff, 'Woningloze'. In: Gedichten (1941).

(31) Nescio, De uitvreter (1918).

(32) Willem Elsschot, 'Het huwelijk'. In: Verzen van vroeger (1934).

(33) Martinus Nijhoff, 'De moeder de vrouw'. In: Nieuwe gedichten (1934).