De atmosfeer bepaalt het weer

Zonder lucht zou er geen weer zijn. De samenstelling van deaatmosfeer, die reikt ot een hoogte van zo'n 1.000km, is dus zeer belangrijk. Alleen het onderste gedeelte speelt een rol: de troposfeer die, afhankelijk van het jaargetijde, een dikte van 8 tot 10 kmn heeft. Alleen in de troposfeer komt bewolking voor. Boven de troposfeer bevindt zich de stratosfeer. De overgang tussen deze twee lagen heet de tropopauze.

De lucht wordt door de zwaartekracht bijeengehouden. Door deze kracht drukt de lucht op de omgeving: de luchtdruk. Deze wordt gemeten in hectopascal (hPa), wat overeenkomt met een kracht van 10 kilogram per vierkante meter. In weerberichten wordt de term hectopascal nooit gebruikt, maar de oude term millibar. 1 millibar is gelijk aan 1 hPa. De meestvoorkomende luchtdruk bedraagt 1000 hPa. De luchtdruk is niet overal gelijk. Koude lucht is zwaarder en oefent daardoor een hogere druk uit. De druk neemt af naarmate de hoogte stijgt.