Beurs beïnvloedt studiekeus niet

Leidt de tempobeurs ertoe dat meer studenten kiezen voor 'gemakkelijke' studies, zoals voorzitter Hermans van het College toekomst studiefinanciering beweert. Volgens Dinand Webbink en Uulkje de Jong strookt die opvatting niet met de werkelijkheid.

De veranderingen in de studiefinanciering van de afgelopen jaren bevorderen risico-mijdend gedrag van studenten, wordt regelmatig beweerd. Volgens Loek Hermans, voorzitter van het college toekomst studiefinanciering, wordt er sinds de introductie van de tempobeurs meer gekozen voor gemakkelijke studies.

Dit lijkt een directe echo van de commissie-Verruijt, die de daling van het aantal studenten in exacte studies toeschrijft aan de recente veranderingen in de studiefinanciering. De drie technische universiteiten hebben deze conclusie inmiddels vertaald in een landelijke wervingsactie waarin aankomende studenten een studiebeurs wordt geboden voor het eerste studiejaar.

Ruim een jaar geleden werd de grotere populariteit van het hoger beroepsonderwijs ten koste van het wetenschappelijk onderwijs onder VWO'ers betiteld als 'risico-mijdend' gedrag. Bij de daling van het aantal eerstejaars WO-studenten in het cursusjaar '95-'96 werd direct een relatie gelegd met de veranderingen in de studiefinanciering.

Gezien de stelligheid en soms ook felheid waarmee het 'risico-mijdend' gedrag van studenten wordt 'geconstateerd', zou men verwachten dat deze beweringen gebaseerd zijn op harde empirische gegevens. Dit is niet het geval, sterker nog, er zijn gemakkelijk voorbeelden aan te wijzen van 'risico-zoekend' gedrag.

De belangrijkste trend in het keuzegedrag van VWO'ers in het afgelopen decennium is de stijgende deelname aan het hoger onderwijs. Daarbij vindt in de laatste jaren een lichte verschuiving plaats van het WO naar het HBO. Dit geldt zowel voor jongens als voor meisjes. Het percentage VWO'ers dat momenteel voor het WO kiest ligt echter nog boven het niveau uit de jaren tachtig, een periode met een ruimhartiger studiefinanciering dan het huidige stelsel.

Ook bij de havo'ers is de afname van het niet verder studeren/leren de belangrijkste trend. De verdeling over de vervolgopleidingen is de afgelopen jaren veranderd. Ondanks de aanhoudende berichten over de problematische aansluiting tussen havo en HBO en de veranderingen in de studiefinanciering kiezen havo'ers steeds vaker voor het HBO. Sinds 1990 is het aandeel havo'ers dat doorstroomt naar het HBO gestegen met 10 procentpunten. Dit duidt niet op risico-mijdend gedrag.

De toegenomen deelname aan het hoger onderwijs heeft zich niet gelijkmatig verdeeld naar studierichting. Nadere inspectie van de ontwikkelingen in bèta-instroom in de afgelopen tien jaar leert dat de ontwikkelingen niet gelijk zijn voor alle studierichtingen. Puur afgaande op de trendmatige ontwikkelingen is het leggen van een relatie met de recente veranderingen in de studiefinanciering ongeloofwaardig. Daar komt nog bij dat de afnemende belangstelling voor exacte studies geen nationaal, maar een internationaal verschijnsel is waarmee bijvoorbeeld ook Australië, Amerika, Engeland of Denemarken te maken hebben.

De relatie tussen studiefinanciering en de keuze om te gaan studeren is in Nederland en in het buitenland regelmatig onderzocht. Het belangrijkste resultaat van al dit onderzoek is dat de beslissing om te gaan studeren in Nederland en in het buitenland weinig gevoelig is voor veranderingen in de prijs van studeren, zoals collegegeldverhogingen. Economen spreken dan van een lage prijselasticiteit.

Wel blijkt er verschil te bestaan tussen leerlingen uit verschillende inkomensgroepen. Kinderen uit lagere inkomensgroepen zijn het meest gevoelig voor veranderingen in de prijs van studeren. In hun totale afweging van kosten en baten van studeren komen zij uit op een lagere netto opbrengst. Dit is niet hetzelfde als “een grotere angst voor hoge studieschulden bij kinderen uit lagere sociale milieus”, zoals de commissie-Hermans beweerd. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat studenten uit lagere sociale milieu's een lager inkomen verwachten na het afronden van de studie dan studenten uit hogere sociale milieu's.

Bovendien komt de veelgenoemde 'leenaversie' zeker niet minder voor bij de hogere sociale milieus. Als we namelijk kijken naar het werkelijke leengedrag van studenten blijkt dat vooral studenten uit lagere sociale milieus gebruik maken van hun leenrechten en dat studenten uit de hogere sociale milieus vrijwel niet lenen. De studieschulden zijn geconcentreerd bij studenten uit de laagste sociale milieus.

In het cursusjaar '95-'96 was sprake van een plotselinge daling van het aantal eerstejaars studenten in het WO. De norm voor de tempobeurs was in ditzelfde cursusjaar net verhoogd naar 50 procent. In de Tweede Kamer werden hierover vragen gesteld en werkgevers uitten hun bezorgdheid. Uit onderzoek bleek dat veranderingen in de studiefinanciering en de introductie van de tempobeurs geen aanleiding waren om af te zien van een studie in het hoger onderwijs, maar wel aanleiding waren tot een grotere bezinning op de studiekeuze. Deze bezinning kwam bijvoorbeeld tot uitdrukking in het uitstellen van de studie. Dit lijkt ook te gelden voor de allernieuwste lichting eindexamenkandidaten; zij laten zich niet afschrikken door de hoge 'risico's'.

Over de invloed van prijsveranderingen op de keuze van de studierichting is weinig bekend. Wel is er onderzoek waarin aan studenten (die niet gekozen hebben voor een exacte opleiding maar die wel een passende vooropleiding hebben) vragen zijn gesteld over hun huidige studie, de exacte studie van hun eerste voorkeur, de kans die ze zichzelf geven op het behalen van het einddiploma, de kans op een baan, het verwachte aanvangssalaris en het verwachte salaris op de top van de carrière.

Opvallend daarbij is dat deze studenten zich in hun eigen studie een veel hogere slaagkans geven dan in een exacte studie, maar ook, en dat is verrassend, dat zij met hun eigen studie een hoger of gelijk inkomen verwachten te verdienen, zowel bij aanvang als op de top van de loopbaan. Daarbij is het verschil in slaagkans de dominante factor in het keuzeproces. Om studenten te verleiden tot het kiezen van een exacte studie dienen daarom niet alleen de grotere onzekerheid over het behalen van het diploma, maar ook de lagere verwachte opbrengsten gecompenseerd te worden. Aannemelijk is dat hiervoor zeer forse financiële prikkels nodig zijn.

In het onderzoek is ook gevraagd naar het effect van verschillende maatregelen die de deelname aan exacte opleidingen zouden kunnen stimuleren. Deze vraag heeft actualiteitswaarde gekregen door de grote landelijke actie van de technische universiteiten. Momenteel worden namelijk enkele honderden beurzen van 5.000 gulden aangeboden aan eerstejaars studenten. Om hiervoor in aanmerking te komen dienen studenten aan bepaalde voorwaarden te voldoen die variëren tussen de universiteiten. De voorwaarden hebben in het algemeen betrekking op de cijfers voor wiskunde-B en natuurkunde, de motivatie voor de studie en de studieprestaties in het eerste jaar.

Eén van de maatregelen uit het onderzoek lijkt sterk op deze actie van de technische universiteiten maar gaat nog verder: geen collegegeld plus een beurs van 750 gulden per maand. Uit de antwoorden op deze vraag valt af te leiden dat het effect van deze (verdergaande) maatregel gering is. Als er al extra studenten worden geworven worden voor de technische opleidingen zullen dit vooral studenten zijn die van plan waren een natuurwetenschappelijke studie of een landbouwstudie te volgen.

Het bovenstaande laat zien dat de trends in het keuzegedrag van studenten zowel 'risico-mijdende' als 'risico-zoekende' elementen bevatten en dat de invloed van prijsveranderingen op studiekeuzen in het algemeen gering zijn. De door de commissie-Verruijt geïnspireerde 'beurzencampagne' van de technische universiteiten zal weinig opleveren. De beurzen zullen niet gaan naar degenen die van plan waren een andere studie te kiezen, maar naar studenten die toch al van plan waren om exact te gaan studeren. Het ware beter geweest deze gelden te besteden aan de modernisering van de studieprogramma's.

De belangrijkste conclusie is dat het leggen van een causale relatie tussen de recente veranderingen in de studiefinanciering en het 'risico-mijdend gedrag' van studenten louter speculatie is en in strijd is met gegevens uit empirisch onderzoek.