We wilden geen verliezersscenario

Het was verstandiger èn voor de rechtsgang èn voor de betrekkingen met Brazilie dit laatste land vorige maand niet te vragen om de van drugshandel verdachte Surinaamse ex-legerleider Bouterse aan te houden. Aldus minister Hans van Mierlo (Buitenlandse Zaken) gisteren in de Tweede Kamer. Hieronder een deel van zijn antwoord aan de Kamer in eerste termijn.

Voorzitter, door deze zaken is enigszins een beeld van inconsistentie ontstaan, van ongeloofwaardigheid van mij en van de minister die naast mij zit [minister Sorgdrager van Justitie], maar ik spreek nu even voor mijzelf. Ik zou met de mond belijden dat ik de rechtsgang en de politiek wil scheiden, terwijl ik in de praktijk de rechtsgang politiek zou blokkeren. Dat is eigenlijk de kern van de zaak.

Ik wil graag eerst proberen helderheid te scheppen in die wirwar, die in de hand is gewerkt doordat er vlak na elkaar twee spectaculaire publicaties zijn geweest. Beide gingen over Bouterse, maar de ene stond in relatie tot Suriname en de andere tot Brazilië. [...]

Ik kom bij het eerste verhaal, het afleggen van mijn verantwoording. Daarbij ging het om de onthulling van de signalering. Tot deze signalering was besloten in april. De minister van Justitie heeft hiervan kennis gegeven aan de Surinaamse minister van Justitie. Door het werk dat verricht moest worden, vond de uiteindelijke signalering zelf pas twee maanden later plaats. Later is ons bij de publicatie pas gebleken dat de Surinaamse regering niet op de hoogte was. Volgens onze interpretatie is de portee van de mededeling dat tot internationale signalering zou worden overgegaan niet in die mate tot de Surinaamse minister van Justitie doorgedrongen dat hij deze heeft doorgegeven aan president Wijdenbosch. [...]

Er kwam een scherpe nota van protest van Suriname. Op de vele aantijgingen daarin zal ik niet ingaan. In onze nota zijn ze alle weerlegd. Het verbaast mij hoe weinig aandacht die belangrijke nota van de Nederlandse regering allerwegen heeft gekregen. Nogmaals, de Surinaamse nota was scherp. Ons werd gevraagd, de signalering per ommegaande ongedaan te maken. De gedachte dat dat kon, was buitengewoon interessant. Het was een van de redenen waarom ik dacht dat het nodig was om daar eens een paar dingen te gaan uitleggen. Denken dat je bij een echte strafzaak zomaar eventjes door een politiek gebaar een signalering ongedaan kunt maken, alleen omdat die man een belangrijke staatsman is, houdt een daad van klassejustitie van de eerste orde in. Het zou het allerslechtste voorbeeld voor de wereld zijn. Ik vond het zo bizar, dat ik dacht dat er meer achter zat. Dat klopte ook. Velen in Suriname denken dat de hele zaak tegen Bouterse geconstrueerd is, dat wij het doen omdat wij tegen Suriname zijn, omdat wij Suriname willen pakken. Godzijdank zijn er ook een heleboel mensen die dat niet vinden. Als je denkt dat het geconstrueerd is en onderdeel van een politiek spel, komt ook de gedachte bij je op dat het ook heel gemakkelijk met een politieke daad ongedaan kan worden gemaakt.

Welnu: deze redenering gaf voeding aan de zorg dat de signalering als zodanig tot hevige emoties in Paramaribo aanleiding zou kunnen geven. Zoals wij weten kunnen emoties in Paramaribo leiden tot ontwikkelingen die alle kanten kunnen opgaan en ook heel gevaarlijk kunnen zijn. Ik vond het absoluut onverantwoord om te denken: wij weten hoe het recht in elkaar zit, wij weten dat het zijn loop moet hebben en de Surinamers zoeken het maar uit, of zij het begrijpen of niet. Zij moeten het zelf maar weten of zij denken dat het allemaal politiek is. Ik vond dat het mijn plicht was - het hele kabinet was het daarover eens - om te proberen zoveel mogelijk uit te leggen wat het 'non possumus' was op het verzoek van de Surinaamse regering. [...]

Ik wil hier graag nog eens onderstrepen dat ik de reis die ik maakte, niet alleen heb gemaakt vanwege de buitenlandse politieke implicaties. Ik heb dat voor de betrekkingen gedaan, maar wel in een rechtstreekse relatie tot de rechtsgang. Het ging niet om de rechtsgang zelf, maar om het duidelijk maken van de rechtsgang. De heer Weisglas [VVD] heeft de vraag opgeworpen of dit niet overdreven is. Als je vindt dat ze het zelf maar moeten uitzoeken, kun je zoiets overdreven noemen. Dat is misschien een verschil in taxatie tussen de geachte afgevaardigden en het kabinet. Het kabinet vond het nodig om te doen wat mogelijk was om erger - ontwikkelingen, escalaties en misverstanden - te voorkomen. En deze minister van Buitenlandse Zaken voelt zich geroepen om dan dat werk te verrichten. [...]

Op de laatste dag dat ik in Rio was, kwam de onthulling in NRC Handelsblad. Er zijn vele aspecten te noemen, maar het lijkt mij het beste om de essentie ervan als uitgangspunt te nemen. Het eerste punt was dat Brazilië bereid was, Bouterse aan te houden en uit te leveren. Het tweede punt was dat de minister van Buitenlandse Zaken de rechtsgang blokkeerde vanwege betrekkingen met Suriname. Dat standpunt wordt nog steeds voor mogelijk gehouden door de geachte afgevaardigde Verhagen [CDA] en naar ik meen ook door mevrouw Sipkes [GroenLinks]. Het derde punt is dat de minister in de praktijk in dit verhaal zijn belijdenis logenstraft van de scheiding tussen politiek en rechtsgang uit het eerste verhaal.

Deze drie punten zijn naar mijn stellige overtuiging volstrekt onjuist. Om dat duidelijk te maken, wil ik eerst enige feiten noemen die voor de beoordeling van de gebeurtenissen van belang zijn. In de eerste plaats ga ik in op het Suriname-beleid van Brazilië, dat sinds 1980 een hoog gehalte aan realpolitiek heeft. Men wil rust aan de noordgrens en accepteerde het gegeven dat Bouterse de sterke man was, met wie men dus uit de voeten moest, welk oordeel men daarover ook had. Dat past volledig in de sterk beleden politiek van non-interventie die het land überhaupt voorstaat in het buitenlands beleid. [...]

In de eerste helft van de jaren tachtig, toen er in beide landen een militair regime was, waren de rechtstreekse contacten tussen de militairen uitgesproken goed. Nadat er in 1985 een burgerregering was aangetreden, nam het civiele Braziliaanse gezag formeel wat meer afstand van de toenmalige bevelhebber Bouterse. Brazilië bevestigde het formele uitgangspunt dat de militairen ondergeschikt dienen te zijn aan het civiele gezag, maar tussen de militairen van beide landen zijn tot de dag van vandaag goede contacten blijven bestaan. De heer Bouterse, inmiddels militair af, bleef zich veelvuldig naar Brazilië begeven om daar zijn relaties - militaire en civiele - te onderhouden.

Toen de NDP langs democratische verkiezingen aan de macht was gekomen, was er in de realpolitieke benadering van Brazilië geen enkele reden meer om contact met Bouterse eventueel uit de weg te gaan. Integendeel, de thans langs democratische spelregels gelegitimeerde sterke man van Suriname kon met alle egards worden ontvangen. Indicatief voor die verhoudingen is dan ook de benoeming in Brasilia van de militair Christopher, een vertrouweling van Bouterse met bepaald geen goede reputatie.

Brazilië heeft dus een speciale, ingewikkelde positie bij het vraagstuk dat wij bespreken. Brazilië wenst goede betrekkingen met Suriname. Brazilië wenst zeer goede betrekkingen met Nederland. Brazilië wil ook tonen dat het op het toneel van de internationale rechtsorde de plaats kan innemen vooraan met andere landen die de rechtsstaatgedachte hoog houden. Het is niet helemaal mogelijk om al deze belangen tegelijk te dienen, zoals men zal begrijpen. Daarom probeert men de confrontatie met de kwestie-Bouterse zoveel mogelijk uit de weg te gaan. Nederlandse sonderingen over de Braziliaanse medewerking, waarik dadelijk op kom, bevestigen dat beeld ook. Reacties zijn onverbindend. [...]

Toen er besloten werd om tot signalering over te gaan, zijn er een paar dingen vastgesteld, namelijk dat wij de hele strategie van signalering zouden baseren op effectiviteit en doelmatigheid. De toepassing is overal verschillend en vraagt vaak ook een ander gedrag van de Nederlandse regering. Deze zou iedere keer worden getoetst aan de vraag of zij doelmatig is en of het beoogde resultaat ook wordt opgeroepen. Is het gunstig voor de ontwikkeling van de rechtsgang? Het kan ook zijn dat je in het ene land iets moet doen om een beter effect te krijgen in een ander land. Het is een scenario van effectiviteit en geen verliezers.

Deze twee uitgangspunten zijn eerst door mij aan de Kamer overgebracht op 19 maart en daarna door mevrouw Sorgdrager. Ik vraag er aandacht voor dat er absoluut geen vorm van protest is gekomen tegen deze benadering. Integendeel. In de stukken die ik terugvind, vind ik bezorgdheid bij de Kamerleden. Men is bang dat de betrekkingen geschaad worden bij signalering. Wij hebben daar goed over gesproken. Wij zouden geen nederlagen willen. Nederlagen zijn goed voor Bouterse en slecht voor de rechtsgang. Als je dat zorg geeft, is het wat meer werk, maar dan krijg je een afgemeten, op effectiviteit gerichte toepassing van de signalering. [...]

Op 15 april besluit het Openbaar Ministerie tot signaleren. Meteen daarna vindt er een overleg plaats tussen Justitie en Buitenlandse Zaken over de lijst van landen waar gesignaleerd moet worden. Het is de taak van Justitie om aan te geven welke landen daar juridisch-technisch voor in aanmerking komen, terwijl het de taak van Buitenlandse Zaken is, een eerste indicatie te geven van de politieke bereidheid van landen om mee te werken. Overigens roept het woord 'meewerken' grote misverstanden op.

In dit verband betekent het dat een land bij een internationaal signaleringsverzoek moet meewerken om het in de carthoteken van de eigen politie te integreren om tot uitvoering te kunnen komen. Dat houdt 'meewerken' in de eerste plaats in.

In dat gesprek werd vastgesteld dat de medewerking van Brazilië niet alleen ten principale niet zeker was, maar ook wat de uitvoering betreft. Daarom werd er afgesproken om te sonderen. Dat is in verschillende landen gedaan, ook in Brazilië.

Uit de sondering kwam naar voren dat, indien Nederland de behoefte had om te signaleren, wij moesten doen wat wij goed achtten. In het midden werd gelaten dat antwoord op de vraag of dit voor de Braziliaanse autoriteiten ook zou betekenen dat men op dat moment zou meewerken aan een verzoek tot aanhouding ter fine van uitwijzing en uitlevering. [...]

Ik zou graag willen dat iedereen zich realiseert dat het hier gaat om een verzoek aan een buitenland om een buur aan ons uit te leveren. Men vindt het misschien raar dat ik ook begrip heb voor het feit dat om politieke redenen de buurlanden daar problemen mee hebben, meer problemen dan dan een ander land dat ergens anders ligt. Ik heb al gezegd wat voor Brazilië op het spel staat om toch te proberen goede relaties te onderhouden. Door dit alles was er twijfel op de 18e juli of er toen meteen concrete uitvoering gegeven kon worden aan een verzoek om concrete actie. [...]

Op 18 juli wordt de heer Bouterse in Brazilië waargenomen door een van de mensen van Buitenlandse Zaken. Volgens het boekje wordt dit terstond gemeld aan het OM. Het OM vraagt via de minister om mijn medewerking, omdat men denkt dat Bouterse dan gearresteerd kan worden. Vanaf mijn vakantie-adres raad ik de actie af. Door de kennis die ik, omdat ik al een tijdlang bezig ben met de Braziliaanse politiek, heb over wat er mogelijk is en wat niet, kom ik tot een taxatie. Ik zal dadelijk nog de redenen en de aanwijzingen waarom mij taxatie berust, uiteenzetten. Ik raad het dan af in de wetenschap dat het niet aan mij is om daarover te beslissen. De minister van Justitie en ik komen, gezien de situatie, gezamenlijk tot de conclusie dat het ook in het belang van de rechtsgang niet verstandig is om de Braziliaanse regering iets te doen, terwijl de kans dat zij er op dat moment ook zou en kon doen, zo klein was. Ik gebruik opnieuw diplomatieke formuleringen. Wij nemen samen die conclusie voor onze rekening. Op grond daarvan laat de minister van Justitie aan het OM weten dat de situatie van waaruit het OM tot aanhouding dacht te kunnen overgaan, niet bestaat. Vervolgens wordt het verzoek niet gedaan. [...]

De redenen die ik toen had, betroffen de voorgaande geschiedenis en de gesprekken die ik had gevoerd. Verder was er de door de Braziliaanse regering aangekondigde en altijd toegepaste zeer formalistische houding ten opzichte van deze problematiek. Dat is niet alleen bij deze zaak zo, de uitleveringscultuur van Brazilië is altijd zo. Dan is er het feit dat op dat moment de heer Bouterse er ongewaarschuwd zat. Dat zou voor de Braziliaanse regering een grote embarrassment hebben opgeleverd. Ten slotte waren er de gedane sonderingen bij de signalering en kort daarna. Dit alles bracht ons beiden tot de conclusie dat het beter was om Brazilië nu niet in verlegenheid te brengen.

Wij hebben dat afgewogen tegen de nadelen die er zouden zijn als wij, wat het meest waarschijnlijke was, geconfronteerd zouden worden met een teleurstelling. De nadelen waren dat het massageproces dat gestart was en dat zich positief ontwikkelde, zeer negatief onderbroken zou worden. Door het niet honoreren van het verzoek op dat moment zouden de bewegingsruimte en het prestige van de heer Bouterse weer groter zijn geworden. Dat heeft ons beiden, zonder dat er sprake zou kunnen zijn van een primaat van Buitenlandse Zaken, duidelijk gemaakt dat het verstandiger was, èn voor de rechtsgang èn voor de betrekkingen met Brazilië die wij nodig hebben voor later om de situatie zo te krijgen als wij die willen, om dat verzoek niet te doen. Deze bevindingen zijn dezer dagen officieel bevestigd. [...]

De Amerikanen kunnen het zich permitteren de heer Noriega op te halen met een paar helikopters, maar dat kan de Nederlandse regering niet. Die moet langs de kanalen van de rechtsorde proberen dat te doen. En in een massageproces lukt het steeds meer om de Braziliaanse regering in de gewenste assertieve houding te krijgen. Dat is alles wat wij willen doen. Nogmaals, als de Kamer mij ook een verliezersscenario wil laten volgen, dan ben ik daar niet voor te vinden, dat vind ik onverstandig.