Vijfhonderd jaar waterwanbeheer in Mexico-stad; De wraak van de watergod

De oude Azteken waren ervan overtuigd dat hun stad aan een catastrofe ten onder zou gaan. De Spanjaarden kwamen, en nog geen vijfhonderd jaar later is het zover. Specialisten noemen het overbevolkte en vervuilde Mexico-stad een 'ecologisch voorportaal van de hel'. Toch zal de grootste stad ter wereld niet aan vervuiling ten onder gaan, maar eerder sterven van de dorst.

De zon schijnt, ogen prikken, en ademen gaat een beetje zwaar. Een gewone zomerdag in Mexico-stad. In de pesero, het minibusje dat je voor één peso door de miljoenenstad rijdt, wurm ik de krant uit mijn tas. Op de voorpagina het dagelijks ozon-niveau: 210, lees ik. Valt nog mee. Pas bij 250 is het 'alarmfase rood'. Het internationale gevarenniveau is 100, maar dat haalt de stad al jaren niet meer.

Ozonpercentages, IMECA(smog)-cijfers, thermische inversie. De bewoners van Mexico spreken erover zoals elders de burenpraatjes over regen gaan. Er wordt gemord, maar de mensen leven ermee. 'Ni modo', wat kun je eraan doen, is het algemene commentaar.

In de Zuidoostelijke wijk Iztapalapa stap ik uit. Ook hier gaat het over lucht. “Vroeger had je nooit eem alarmfase in de zomer”, zegt Doña Lucía terwijl ze met radde vingers een taco rolt. “Er gebeuren vreemde dingen.” Het zal pas veel later zijn dat ik begrijp dat ook dit klimatologisch effect met water te maken heeft. Of beter: het gebrek daaraan.

Doña Lucía woont met haar vier kinderen in wat hier 'spontane stadsuitbreiding' heet. Hutjes van hardboard met golfplaten daken, aan een niet geplaveide weg. In de droge wintermaanden knarsen je tanden van de zand- en stofstormen die door de droge vallei waaien. Meer dan elfhonderd ton stof, en nog eens één ton gedroogde poep wervelen per dag door Mexico-stad. In de natte zomermaanden wordt het stof aangelengd tot modder.

Op haar witte schoentjes staat Lucía's dochter Clara bij de hoek. Ze wacht op de pipa, de tankwagen die twee keer per week langskomt om de twee miljoen bewoners van Iztapalapa van water te voorzien. Kranen zijn er wel in Iztapalapa, maar er komt maar één keer per week water uit. Niet langer dan twee uur. En het water heeft de kleur van koffie.

“Voor dat water moet ik bezuinigen op de kleine dingen voor de kinderen als appels of bananen”, zegt Lucía die met taco's bakken in haar levensonderhoud voorziet. Zoals alles in Mexico gaat niets voor niets. Officieel is het water uit de tankwagens gratis. Maar zonder fooi voor de bestuurder stopt hij niet. “Soms staat mijn dochter een hele morgen op de pipa te wachten. Ze geeft haar school ervoor op. En dat alles voor een rantsoen van maar tien liter per dag”, zegt Lucía terwijl ze snel haar spulletjes inpakt om de dagelijkse regenbui van vijf uur voor te zijn.

We zitten maar net in haar planken huisje of de hemel scheurt open. Als uit één grote brandkraan stort het water naar benden. De modder in de straat kolkt en borrelt, en stroomt onder Lucía's deur door naar binnen. Ze weet hoe ze ermee moet leven: tafel, bed, ijskast, stoel - in de zomer staat alles op stenen. “Je begrijpt het toch niet met al die regen”, zegt Doña Lucía peinzend. “Ik snap niet dat er geen water is.”

Inderdaad. De zomerregens in de vallei van Mexico zouden de stad het hele jaar door dertig procent van het totale waterverbruik kunnen leveren. In plaats daarvan wordt het regenwater via de riolering de stad uitgepompt. Dure en ingewikkelde installaties die het afvoerwater over de hoge krans van bergen moet leiden waartussen de stad ligt ingeklemd. Tijdens de heftige zomerregens kan het drainagesysteem de toevloed niet aan, en verzuipen grote delen van de stad in een mengeling van water en stront.

“De paradox van Mexico is dat niet de onderontwikkeling, maar juist de megalomane infrastructurele werken die sinds de komst van Spanjaarden zijn gebouwd de stad naar de ondergang zullen helpen”, zegt professor Jorge Legorreta, architect en historicus op het gebied van stadsontwikkeling. Op zijn vingers telt hij de projecten. In de jaren zestig werd de zogeheten 'diepe drainage' gebouwd. Een afwateringssysteem op 240 meter diepte. Duizenden arbeiders wurmden buizen - of beter tunnels - met een diameter van meer dan zes meter onder de stad door, over een totale lengte van vijftig kilometer. “Het grootste project ter wereld”, zegt Legorreta. “Zelfs Shanghai of New York hebben zoiets niet.” Met de president, de vlag en de fanfare werd de diepe drainage in 1975 in gebruik genomen.

'Totale waanzin', noemt Legorreta het project dat meer dan 135 miljoen gulden heeft gekost. Meer dan tweehonderdduizend kubieke meter regenwater per seconde wordt door de tunnel de stad uitgepompt. Dezelfde hoeveelheid drinkwater wordt met de grootste moeite uit verafgelegen rivieren en bronnen geput en met ingewikkelde systemen door en over de bergen weer naar de stad toe gebracht.

En toch: 'Dank u president, voor de bevrijding van de overstromingen', stond er op de T-shirts die de juichende menigte bij de onthulling van de diepe drainage droeg. Grote overstromingen in 1952 en 1953 waren dan ook de reden dat tot de bouw van het megaproject was besloten.

“Het absurde is dat al vijfhonderd jaar lang het ene megaproject het andere uitlokt”, zegt Legoretta. Terwijl de stad op water gebouwd was, sterft hij uiteindelijk aan de pogingen het water te bestrijden.

Legorreta laat platen zien van het oude Tenochtitlán. Duizenden kano's tussen de pelikanen op vijf aaneengeschakelde meren. Daarin de stad die een schitterend geheel vormt van drijvende eilandjes. “Uit het water rezen de pyramides en tempels op als stralend witte kastelen”, schreef de Spaanse soldaat Bernal Díaz toen hij in 1519 voor het eerst de Aztekenstad zag. “De huizen hebben bloeiende tuinen en overal zijn grote badgelegenheden [...]. Sommige van onze soldaten vroegen zich of dit een droom of werkelijkheid was.”

Met meer 800 duizend inwoners was Tenochtitlán ook toen al de grootste stad ter wereld. Maar in tegenstelling tot de stinkende en overbevolkte Europese steden was Tenochtitlán een oase van rust, hygiëne en orde. Met een slim systeem van dijken en kanalen hadden de Azteken hun waterhuishouding onder controle gebracht. Op een continent waar geen paarden bestonden, en het wiel nog niet was uitgevonden, zorgden kano's voor een rijk ontwikkeld vervoerssysteem. De stad leefde van het water. Voor de Azteken was het water dan ook heilig. Tlaloc, de God van het water huisde in een aards paradijs ergens in de bergen, zo geloofden zij. Tlaloc zond het water naar de vallei van Mexico. En aangezien het water van de meren direct van de Goden kwam, was dit het symbool van het leven zelf.

Als de meren van het oude Tenochtitlán te snel stegen, of de regen bleef uit, dan offerden de priesters wat mensenharten aan Tlaloc. De armen en benen werden vervolgens gekookt met chilipepers en tomaat, en als feestmaal opgediend. Maar het water zelf? Daar gooide je geen lijken of dooie honden in, zoals de Spanjaarden later uitgebreid deden. En je gebruikte het al helemaal niet als open riool. “Aan het eind van elke straat stonden kleine buitengebouwtjes van waaruit de ontlasting direct in gereedliggende kano's viel”, schrijft de publicist Joel Simon in zijn boek 'Endangered Mexico'. “Elke dag werden de kano's naar de landbouwgronden rond de meren gepeddeld, waar de uitwerpselen van de stad als mest gerecycled werd.”

De Azteken geloofden dat hun wereld op de rand van de afgrond balanceerde. Zoals eerder de Maya's op mysterieuze wijze waren verdwenen, zo zou een ramp een einde maken aan de Azteekse beschaving. Maar juist daarom zorgden ze dat ze hun watergod respecteerden om zich zo tegen zijn woede te beschermen.

“Plotseling, in één klap, vielen de kelen en de trommen stil. Mensen en goden zijn verslagen. De Goden dood, de stad dood”, zo beschrijft de historicus Eduardo Galeano de verovering van Tenochtitlán door de Spanjaarden in 1521. “Als een man is hij gestorven, deze stad van melkwitte wilgen en blanke biezen. Vorsten zullen hem geen hulde meer komen brengen in hun door nevel varende schepen. Er heerst een stilte die de oren verdooft. En het regent.”

Meer dan tweederde van de Indiaanse bevolking werd door de Spanjaarden uitgemoord. “In alle huizen en gebouwen lagen lijken en afgehakte hoofden”, schrijft soldaat Díaz in zijn dagboek. “De stank was ondraaglijk. Zelfs aanvoeder Cortés kreeg er hoofdpijn van.”

Zo begon niet alleen de Spaanse overheersing, maar ook de vernietiging van de watercultuur die aan de stad ten grondslag lag. Dijken werden doorgestoken om de grote Spaanse schoeners door te laten. Aquaducten vernietigd en kanalen aangeplempt, om met paard en wagen door de straten te kunnen. Binnen de kortste keren was het meer van Texcoco een stinkend riool.

De rest van de eeuw was één grote ellende van regens en overstromingen. De ontbossing van de omliggende bergen hielp daarbij ook nog een handje. 'Drooglegging' was het toverwoord dat een ingenieur van Duitse afkomst die voor de Inquisitie werkte voor Mexico bedacht.

En zo gebeurde. Zestigduizend Indiaanse slaven werden in 1607 ingezet voor de bouw van een tunnel om het meer van Mexico-stad leeg te pompen. Eenvijfde van het hele koloniale budget ging eraan op. Maar nog geen twintig jaar later was er opnieuw zondvloed. Vijf jaar lang stond de stad onder water. Dertigduizend Indianen kwamen om. De ingenieur van de drooglegging had geweigerd zijn mooie nieuwe tunnel als afwatering te gebruiken toen één van de vier overgebleven meren buiten zijn oevers trad.

De ingenieur werd gevangen gezet, maar de 'drooglegging' ging door. Nieuwe tunnels en nieuwe kanalen maakten dat er begin deze eeuw geen druppel water meer over was. Elfhonderd vierkante kilometer meer hebben nu plaats gemaakt voor veertienhonderd vierkante kilometer cement en beton. “De gevolgen hiervan zijn desastreus”, zegt Legoretta. Om te beginnen is er het stof van de zilte meerbodems waarop niets groeit. Dan is er de termische inversie. Dat is het verschijnsel waarbij een deken van warme lucht alle smog als een deksel op een hogedrukpan binnen de vallei van Mexico houdt. Door het leegpompen van de meren is dit verschijnsel ernstiger geworden. Het wateroppervlak koelt de lucht niet meer af.

Het meest zichtbare effect is echter de verzakking. Langzaam zakt de miljoenenstad in de modder weg. De plompe kathedraal die de Spanjaarden op de resten van de pyramide op het centrale plein van Mexico-stad bouwden, is inmiddels al meer dan twaalf meter de grond ingezakt. Scheefhangende paleizen, zakkende monumenten, en mensgrote gaten in de weg. Dat kenmerkt het Mexico van nu.

“Ik kijk altijd waar ik sta”, zegt Doña Lucía. “Maar je weet nooit.” Precies een jaar geleden stierf een collega van haar een gruwelijke dood. Niet ver van de plek waar Lucía haar eigen taco's verkoopt bracht ook Pati Ortíz haar waar aan de man. Plotseling hoorde Ortíz een harde krak. Ze greep zich vast aan de rok van haar vriendin. Maar het was te laat. Schreeuwend viel ze in een zes meter diepe put die plotseling in de aarde was ontstaan. Vallende stenen braken een septische tank die onder de grond zat. En voordat iemand iets kon doen was de put gevuld met giftig metaangas.

“Dit is precies wat er in het groot gebeurt”, zegt Legorreta. Springende buizen, lekkages, en terugstromende riolen. Dat zijn de gevolgen van een stad die elk jaar dieper zakt. De oorzaak is opnieuw: het water.

Een ondergronds waterreservoir regelde vroeger het hele merensysteem. De Azteken hadden dit reservoir nooit gebruikt. Maar om de groeiende dorst van de stad te lessen, besloten de Mexicanen in 1847 het twintig miljoen jaar oude reservoir aan te boren. Naarmate de drooglegging vorderde, en de dorst toenam, werden er duizenden nieuwe putten in het waterreservoir geboord. Men dacht het probleem van het water voor eens en voor altijd te hebben opgelost. Totdat ingenieurs in 1946 ontdekten dat de putten de fundering onder de stad uitzogen.

Vijftig jaar later pompt Mexico-stad nog steeds zeventig procent van zijn drinkwater onder zijn eigen voeten vandaan. De bevolking is inmiddels gestegen van een kleine drie tot twintig miljoen inwoners. En de stad zakt in een tempo van vijfentwintig centimeter per jaar. Hoelang gaat het reservoir nog mee, is de vraag. Alfonso Martínez Baca van de Nationale Watercommissie haalt zijn schouders op. Niemand heeft dat ooit uitgezocht. Zijn het tientallen jaren of misschien langer? Ook daarop heeft hij geen antwoord.

Feit is dat de verzakking van de stad inmiddels het waterreservoir zelf al heeft aangetast. Er zitten diepe scheuren in de schil van het reservoir. Tijdens de aardbeving van 1985 spoelden zo miljoenen liters rioolwater de natuurlijke waterbel binnen.

“Met de drooglegging heeft Mexico-stad zichzelf in een gat gegraven waaruit het nooit meer omhoog zal klimmen”, schrijft Joel Simon in zijn boek. Maar hoelang zal het duren voor de stad zich begraaft? “Mexico-stad heeft het hoogste waterverbruik per inwoner ter wereld”, zegt Simon. Volgens de statistieken verbruikt elke Mexicaan 360 liter water per dag. Dat is twee keer zoveel als Parijs, en meer dan drie keer zoveel als de officiële standaard van honderd liter per dag.

Dertig procent van dit water gaat verloren door de scheuren en butsen in het waterleidingssyteem, veroorzaakt door de verzakking. Maar de rest is verspilling. “De Mexicaanse overheid heeft altijd zwaar op het water gesubsidieerd”, zegt Simon. “Daardoor bestaat er nog steeds de illusie dat er meer dan genoeg water is, en dat er geen reden tot zuinigheid is.”

Het zijn dus de armen, zoals Doña Lucía, die met haar magere tien liter per dag de totale waterbalans nog een beetje in toom houden. Maar nauwelijks rijdt de pesero een rijke wijk binnen, of dienstmeisjes en chauffeurs in zwart-witte kostuums spetteren met water dat het een lust is. Sproeiers in de tuin en twee keer per dag de auto laten wassen. Een beetje Mexicaan doet het niet voor minder.

'Aguaaaaaa', roept de jongen die op zijn bakfiets tegen de heuvel opklimt. Hij verkoopt grote mandflessen met schoon water. Want: drínken kun je het water van Mexico-stad allang niet meer.