Veel bezongen poldermodel heeft creatieve impuls nodig

Nu de politieke partijen zich opmaken voor het schrijven van nieuwe verkiezingsprogramma's, moet ook het economisch beleid tegen het licht worden gehouden. Ogenschijnlijk gaat het de Nederlandse economie voor de wind maar volgens Frans Becker en Ben Dankbaar verdient nu het creatieve ondernemerschap een krachtige impuls.

De aandacht van de beleidsmakers is in de afgelopen jaren vooral naar macro-economische verbanden uitgegaan. Vanaf het begin van de jaren '80 heeft, als reactie op een al te uitgedijde verzorgingsstaat, het marktdenken voorop gestaan: 'markt, markt en nog eens markt' werd de dominante beleidsfilosofie van Economische Zaken. De nadruk kwam verder te liggen op het aanpakken van de staatsschuld en het financieringstekort en op het terugdringen van de collectieve lastendruk: aanvankelijk om de verzorgingsstaat te saneren, vervolgens om Nederland weer concurrerend te maken in de wereldeconomie en tenslotte om te voldoen aan de criteria van de Europese Monetaire Unie (EMU).

Nu de financiële zaken goeddeels op orde zijn, is ruimte en aandacht ontstaan voor grootscheepse investeringen in de infrastructuur. Maar ook daarbij hanteren de beleidsmakers vooral een macro-economisch perspectief en denken zij voorlopig in grote getallen. Datzelfde geldt overigens ook voor de meeste critici van het financieel-economisch beleid van de afgelopen jaren: voor degenen, bijvoorbeeld, die zich keerden tegen een ongeremde markt- en saneringsfilosofie en opgelucht adem halen nu er weer ruimte is voor publieke investeringen. Zij zien daarin een uitnemende mogelijkheid om de Nederlandse concurrentiepositie in Europa te versterken; of voor die critici van de EMU die nog vol enthousiasme spreken over een neo-Keynesiaans stimuleringsbeleid. Met elkaar hebben zij gemeen dat zij de ontwikkeling van de Nederlandse economie door een macro-economische bril bekijken.

Aan een dergelijke benadering kleven tenminste twee bezwaren. Allereerst kan het gevoerde beleid allerlei negatieve en/of onbedoelde effecten hebben voor specifieke gevallen of terreinen. Het bezuinigingsbeleid van de afgelopen 15 jaar bijvoorbeeld waarover nu nogal losjes positief wordt gedaan, heeft ernstige desinvesteringen in de onderwijssector te zien gegeven. De overijver om de verzorgingsstaat te hervormen is ten koste gegaan van de noodzakelijke modernisering van de Nederlandse economie. De overheid is niet ondernemend genoeg geweest. In de tweede plaats kan een algemeen en ongericht beleid ook te weinig effect sorteren en langs het beoogde doel heen schieten, omdat veel middelen terecht komen waar ze niet nodig zijn. Hoezeer bijvoorbeeld nieuwe investeringsinitiatieven ook nodig zijn op het gebied van de kennis-infrastructuur en de fysieke infrastructuur, een ongerichte investeringsimpuls (een technologisch deltaplan, meer geld voor onderwijs) gaat gemakkelijk voorbij aan de diversiteit van micro-economische ontwikkelingen. Zo'n impuls geeft dikwijls ten onrechte 'grote projecten' voorrang op kleinere, gerichte interventies en legt alle risico's bij de overheid, in plaats van bij private partijen.

Leidraad voor een sociaal-democratisch programma kan daarom noch de zaligverklaring van de markt, noch de heiligverklaring van de overheid zijn. Wij pleiten voor een economische politiek die het stimuleren van ondernemerschap in de samenleving centraal stelt: ondernemerschap in de Schumpeteriaanse betekenis van het woord, dat wil zeggen het creatieve, innovatieve handelen van individuen, ondernemers en ondernemingen. Dat ondernemerschap een belangrijke bijdrage vormt voor het probleemoplossend vermogen van een samenleving is niet alleen een les die getrokken kan worden uit de ondergang van de planeconomieën, maar ook een inzicht dat voortvloeit uit alle pogingen om greep te krijgen op de maatschappelijke gevolgen van de technologische omwentelingen in het recente verleden. Het is van belang een onderscheid te maken tussen ondernemerschap en ondernemers. Lang niet iedereen die zich ondernemer noemt, is in werkelijkheid ondernemend.

Ondernemerschap laat zich niet eenvoudig tot voorwerp van overheidsbeleid maken. Naast economische en politieke, bepalen culturele factoren in belangrijke mate het klimaat voor ondernemerschap, en deze factoren zijn, zeker op korte termijn, niet makkelijk te beïnvloeden. Dat neemt niet weg dat ook de overheid in verschillende opzichten ondernemerschap kan afremmen dan wel kan stimuleren.

Het economisch beleid zal dan veel meer nadruk moeten leggen op product-innovatie en de daarbij behorende technologische ondersteuning: op het ondersteunen van startende ondernemers door de noodzakelijke voorschriften en spelregels zo simpel mogelijk te houden. Door faciliteiten voor financiering en kennisoverdracht te scheppen en gericht te investeren in mogelijkheden voor onderwijs en opleidingen. In een dergelijk beleid past een gerichte stimuleringvan de economie in achterstandswijken als onderdeel van infrastructurele vernieuwing en gerichte verbreding van informatie- en communicatietechnologie en wordt het midden- en kleinbedrijf niet opgezadeld met onmogelijke risico's bij ziekte van werknemers.

Deze benadering identificeert ondernemerschap niet alleen met concurrentie, maar ook met coöperatie en de lange traditie daarvan in de Nederlandse economie en beperkt ondernemerschap niet tot de leiding van het bedrijf. Ook de werknemer zal zich in een onderneming ondernemend moeten gedragen: de klanten in de gaten houden, actief naar oplossingen voor hen zoeken, nadenken over verbeteringen in productieprocessen. Daarbij passen nieuwe vormen van participatie, waaronder financiële. Een dergelijke onderneming, gebaseerd op team productie, beantwoordt niet alleen aan sociaal-democratische maatstaven van participatie en kwaliteit van de arbeid, maar ook aan criteria van concurrentievermogen. Het initiatief zal in eerste instantie van het bedrijfsleven uit moeten gaan, maar de overheid kan ontwikkelingen in deze richting uitlokken en ondersteunen. Te denken valt aan het vergroten en ondersteunen van scholingsmogelijkheden, het bevorderen van financiële participatie van werknemers, maar ook het verruimen van de rechten van ondernemingsraden, met name in situaties waarin een ernstig verlies aan werkgelegenheid dreigt. Juist in dergelijke situaties kan door het uitlokken van de ondernemingszin van de werknemers een welkome correctie gegeven worden op moedeloosheid en gebrek aan ondernemingszin aan de kant van de werkgever.

Ondernemerschap moet ruimte krijgen. Dat is iets anders dan grenzeloze vrijheid. Op grond van sociale en milieu-overwegingen, maar ook bijvoorbeeld om eerlijke concurrentie te garanderen, zijn grenzen aan ondernemers gesteld en is hun handelingsvrijheid beperkt. De grenzen op milieugebied zullen in de nabije toekomst zwaarder moeten gaan wegen. Een dergelijke begrenzing is niet vanzelfsprekend een bedreiging voor ondernemerschap. Ondernemerschap kan integendeel door grenzen worden uitgelokt. Door regelgeving op milieugebied is bijvoorbeeld zeer veel creativiteit en ondernemerschap gestimuleerd. Vorm, begrenzing en structuur geven aan de ruimte voor ondernemerschap is dan ook een belangrijke uitdaging voor de overheid.

De nadruk op ondernemerschap dwingt beleidsmakers en wetenschappelijke beschouwers er toe de vrijwel exclusieve aandacht voor algemene en macro-economische samenhangen te verleggen naar micro- en meso-economische processen, naar reële ontwikkelingen in bedrijven en clusters van bedrijven.

Sociale en ecologische doelstellingen zijn onlosmakelijk verbonden met deze agenda, omdat sociaal en ecologisch evenwichtige verhoudingen tot de basis van een houdbare economische ontwikkeling zijn gaan behoren. Een dergelijke accentverschuiving zal voor de vitaliteit van het poldermodel op langere termijn van groot belang zijn.

    • Ben Dankbaar
    • Frans Becker