ROBERT PINGET 1919 - 1997; Taal als instrument

De eergisteren overleden Robert Pinget verbaasde zich altijd over de belangstelling die lezers hebben voor het leven van een schrijver. “Ik heb geen ander leven dan een schrijvend leven,” zei hij in 1965. “Mijn boeken vormen mijn bestaan. Lees Iemand en u weet wie ik ben. De rest is ongezonde nieuwsgierigheid.”

De getalenteerde, in Genève geboren Pinget werd advocaat, vertrok vervolgens naar Parijs om zich in te schrijven aan de Académie des Beaux-Arts en ging schilderen. Hij gaf zijn bestaan echter pas definitief vorm als schrijver van een dertigtal romans en toneelstukken. In 1951 debuteerde hij met de verhalenbundel Entre Fantoine et Agapa, waarvoor hij, in de geest van Henri Michaux en Raymond Roussel, willekeurig enkele woorden uit de Larousse pikte om er vervolgens een verhaal van te maken. Vanaf zijn derde roman publiceerde Pinget zijn hele werk bij Les Editions de Minuit. Deze uitgeverij lanceerde in de jaren vijftig de nouveaux romanciers, een jonge generatie auteurs die nieuwe regels schiep voor de roman. Tot deze groep, die eigenlijk nooit een groot lezerspubliek bereikte, behoorden ook Alain Robbe-Grillet, Michel Butor, Claude Simon, Nathalie Sarraute en Pinget's grote vriend en voorbeeld Samuel Beckett. De zielsverwantschap tussen de twee schrijvers uitte zich in een eensgezinde, sombere visie op de absurditeit van het bestaan, in het loslaten van het realisme in hun werk en in hun voortdurende bezig zijn met de taal als instrument voor het schrijven.

Iedere keer zocht Pinget opnieuw, 'uit de miljarden tonen die zijn oor hadden bereikt', naar de juiste toon voor dat ene, nieuwe boek. Wat hem interesseerde was de manier waarop woorden uitgesproken werden, niet de puur lexicale betekenis ervan. De toon bepaalde het onderwerp. Deze benadering leidde vaak tot een ogenschijnlijk chaotische aaneenschakeling van verhalen, dromen en beelden uit het onderbewustzijn, die steeds worden onderbroken, tegengesproken en weer opnieuw beginnen, zodat er van een plot geen sprake is. Pinget probeerde de spreektaal zo dicht mogelijk te benaderen en had een grote afkeer van le ton académique. Hij genoot van de onuitputtelijke mogelijkheden van de taal. Al in de in 1965 met de prix Fémina bekroonde roman Iemand, waarin het verlies van een papiertje leidt tot het vertellen van een levensverhaal, zegt één van de personages dat het hem niets kan schelen als hij zichzelf tegenspreekt: 'Wat gezegd is, is nooit gezegd, want je kunt het altijd weer anders zeggen'.

Ook al heeft het er alle schijn van, het universum van Pinget hangt niet als los zand aan elkaar. Imaginaire landschappen en steden vormen een herkenbare, maar toch steeds veranderende achtergrond bij terugkomende personages, die op hun beurt wisselende karakters hebben. Eén van hen is Monsieur Songe, het alter ego van de auteur, en ook de titel van een in 1982 verschenen roman. In mei van dit jaar verscheen Tâches d'encre, waarin Monsieur Songe weer nieuwe gedachten over het leven op papier zette in notitieboekjes gevuld met gedichten, losse strofen en aforismen. In dit laatste boek ziet Monsieur Songe de tijd verstrijken: 'Een dag gaat voorbij zonder de vorige af te maken. Wat nu te doen met de volgende.' In zijn voorwoord schreef Pinget dat Tâches d'encre het laatste deel zou zijn van de carnets van Monsieur Songe: 'Ik ben mijn eigen vermoeidheid moe.'

Bij uitgeverij IJzer verschenen onlangs vertalingen van 'Iemand' en 'De verlossing'.