Nieuw oud huis

Lezer, ik heb een wonder gezien. Het was hier vlakbij, in B., pal naast het oude raadhuisje dat onlangs is verkocht. Daar werd iets gebouwd. Je hield je hart vast wat het zou worden, op dat leuke punt bij de ijzeren ophaalbrug. Doodzonde om daar iets nieuws neer te zetten.

Het wonder was: toen het nieuwe huis af was, was het verdwenen. Beter gezegd, je zag het niet meer. Want er stond ineens een oud huisje, zo bescheiden en vriendelijk dat ik mijn ogen niet kon geloven. Een huisje met een grijs pannendak en ouderwetse schuiframen. Met een bovenlicht boven de voordeur en een dakkapel, geflankeerd door even nutteloze als gezellige zijborden. Aan de achterkant zat een onverwachte uitbouw, maar ook hier verstoorde geen moderne wanklank, geen schuifpui het beeld van een boerenwoninkje anno - tja, welk jaar? Achttienvijftig? Twintig? Tachtig? Hoe dan ook: een nieuw oud huisje.

Ik belde aan. Waarom hebt u geen schuifpui, vroeg ik aan de schaars geklede jonge man die opendeed. Omdat mijn vriendin en ik liever een oud huis wilden dan een nieuw, zei hij ontwapenend. Er stond hier al een huisje hoor, maar het was helemaal vervallen en toen hebben we het moeten afbreken en weer opbouwen. Als u wilt geef ik u het nummer van de architect; P.L. van Gent heet hij. U moet eens naar zijn eigen huis gaan kijken, want dat is pas bijzonder.

Een paar dagen later stond ik op het grindpad voor het huis van de architect. Een mooi oud huis, vlak bij de Vecht, met pilasters aan weerszijden van de dubbele voordeur en een kloeke grijs-stenen stoep. Hij bood mij een stoel aan onder de oude appelboom. Ik vroeg argwanend hoe oud zijn huis was. Negen jaar, zei hij.

Negen jaar! Dit aangename bouwwerk, achttiende-eeuws zo te zien, deftig en toch boers, was jonger dan het cabrioletje dat ervóór stond. Jonger dan de meeste Nederlandse rijtjeshuizen en flatgebouwen. Dit wonder was zo mogelijk nog groter dan bij het huisje in B.; want hier was (zo vertelde mijn gastheer) tien jaar geleden helemaal niets, alleen een schuur van tien bij vijftien meter. Die maat had hij dan ook aangehouden bij het bouwen van zijn eigen oude huis.

'Nijenveght', stond in sierlijke letters boven de deur. We draaien er niet omheen, sprak de architect. En hij bekende dat er stalen spanten onder het dak zitten, omdat die veel praktischer zijn dan houten. Maar de dakpannen waren juist weer oud, omdat nieuwe altijd lelijk zijn. Wat ik leuk vind, zei hij grijnzend, is om in zo'n huis als dit (want ik heb er meer gemaakt) iets van bouwgeschiedenis aan te brengen: bijvoorbeeld ramen die er uitzien alsof zij 'later' vergroot zijn.

Toen wij na verloop van tijd om het huis heen liepen, zag ik dat de ramen aan de achterkant - met een schitterend vergezicht over de weilanden - inderdaad nogal groot zijn.

Achteraf begrijp je niet dat je daar nooit aan gedacht hebt: dat het mogelijk moet zijn om iets ouds te bouwen als dat gewenst is, of beter past. Een echt huis, geen kitschvilla zoals ze bij duizenden verrijzen in Nederland, met Hollywoodzuilen en foute gevels.

Niet dat het makkelijk is - of goedkoop, trouwens. Een architect die een oud huis wil bouwen moet veel oude huizen ontleden, tekeningen en voorbeeldboeken bestuderen en gevoel hebben voor de juiste verhoudingen en motieven. Misschien lukt het alleen als hij, zoals Van Gent, veel ervaring heeft met restauraties. Van zijn kant moet de opdrachtgever geld over hebben voor honderd dingen die twee keer zo duur zijn als gewoon, terwijl er weinig bijzonders aan te zien is. Raamkozijnen en deuren bijvoorbeeld die niet uit de fabriek komen, maar speciaal zijn getekend en door een timmerman gemaakt.

Maar het belangrijkste van al: de architect moet bereid zijn om zijn eigen architectenego weg te cijferen. Hij moet onzichtbaar kunnen worden achter iets dat er uitziet alsof het altijd al zo geweest is. Geen makkelijke opgaaf voor de hedendaagse bouwmeester.

De hedendaagse bouwmeester bijt namelijk nog liever zijn duim af dan dat hij iets ontwerpt waar geen voorbijganger van opkijkt. Voor hem is er maar één ding erger dan onopvallend bouwen: dat is iets bouwen dat de indruk wekt dat niet hij, maar iemand anders - bijvoorbeeld een aannemer in een grijs verleden - het heeft ontworpen. Bij dat idee verwijst hij naar Anton Pieck, haalt meewarig zijn schouders op en zet zich aan het ontwikkelen van een split-level-geluidswalwoning in een pas uitgevonden gemeente.

En toch, zelfs als we vaststellen dat dat onzin is, dat er méér tussen hemel en bouwgrond is dan het modernisme en het postmodernisme toestaan, blijven we natuurlijk wel zitten met de vraag hoe ver je kunt gaan. Hoeveel speelruimte zit er tussen een bescheiden dorpshuisje anno vorige eeuw, en Holland Village, Nagasaki? Zou het goed zijn om een hiaat in een zeventiende-eeuwse gracht op te vullen met een grachtenhuis waaraan morgen niemand kan zien dat het vandaag gebouwd is? Ik weet het niet.

In Engeland, waar tot woonhuis verbouwde boerenschuren erg trendy zijn, kun je tegenwoordig huizen bestellen die er uitzien alsof zij een verbouwde boerenschuur zijn. Ook iets waarvan ik niet weet hoe ik erover moet denken. Maar ze zijn daar verder dan wij, dat is zeker. In Italië maken ze huizen die onder een fraai zuidelijk pannendak, netjes gepleisterd op de oude manier, nuchtere betonskeletbouw verbergen. Daar zijn ze nooit opgehouden aangename huizen te bouwen. En hier? Door Nijenveght en het wonder van B. heb ik ineens weer hoop dat er, naast politiek correct modernisme en smakeloze Hollywoodvilla's, ook weer meer huizen zullen komen die prettig zijn om te zien en in te wonen.