Hout met dierenbloed en sierdozen van hars

Honderd jaar kunststof; kunststof voorwerpen uit de verzameling-Kölsch, 1860-1960. Museum het Catharina Gasthuis, Oosterhaven 9, Gouda. T/m 21/9. Ma-za 10-17u, zo 12-17u. Cat.ƒ ,50.

Kunststof heeft in zijn korte verleden nooit revolutionaire veranderingen in het fabricageproces en in de vormgeving ondergaan. Kunststof is niet, zoals hout of zilver, onderhevig geweest aan technologische verbeteringen die consequenties voor het uiterlijk van de objecten hadden. De uitvinding van het buigen van hout bijvoorbeeld, door Michael Thonet in de vorige eeuw gedaan, en de nieuwe mogelijkheid omstreeks 1770 om motieven in zilver machinaal uit te zagen, resulteerden in nieuwe toepassingen en dus een nieuwe esthetica. Kunststof, zo is te zien op een tentoonstelling in Gouda met voorwerpen uit de verzameling-Kölsch, wordt daarentegen vanaf het begin vrijwel op dezelfde manier gemaakt en toegepast.

Door hitte of druk vervormbare half-synthetische of synthetische grondstoffen worden in een mal samengebracht. De mal dicteert de uiteindelijke vorm van het uitgeharde object. Dat het voorwerp nadat het uit de vorm komt nog kan worden verfraaid, is een prettige bijkomstigheid, maar verandert aan de productiemethode weinig. Variatie in het repertoire berust op de verschillende grondstoffen en mengsels waarmee men in de eerste zestig kunststofjaren vooral andere, kostbaarder materialen verbluffend goed nabootste.

Een van de oudere soorten vindt zijn oorsprong in de openbare slachthuizen die de overheid in de tweede helft van de vorige eeuw overal inrichtte. In grote hoeveelheden kwam er in de abattoirs dierlijk bloed beschikbaar. Daaraan voegde men onder andere roet en houtpoeder toe en door dat mengsel onder druk te verhitten ontstond een plastische grondstof die de neutrale benaming bois durci kreeg, omdat het sterk aan hout deed denken. De collectie-Kölsch bezit van dit materiaal veel nogal somber uitziende gebruiksvoorwerpen in de categorie inktstel, pennenbak en andere bureauspullen. Aanzienlijk vrolijker zijn de toiletartikelen van celluloid. Celluloid, gemaakt uit katoenafval, leent zich er uitstekend voor om koraal, ivoor en schildpad te imiteren. In Gouda liggen prachtig versierde haarkammen die voor authentieke hoornen exemplaren niet onderdoen.

Fabrikanten van modieuze poederdozen, bijous (zoals de tientallen Franse broches in de vorm van insecten) en sigarettenkokers stapten in de Art Déco jaren enthousiast over op proteïnoplast, ureum en kopal. Van dat laatste materiaal, een harssoort afkomstig uit de vroegere Belgische Kongo, maakte de Belgische firma Ebena kleurige, fraaie dozen. Op de dozen is met gulle hand bladgoud gestrooid dat prachtig afsteekt tegen de violette, lakrode of blauwgrijze ondergrond. De deksels hebben een zwierige kwast, die de indruk van een Hollywood-kleedkamer pas echt compleet maakt.

De eerste en nog altijd de bekendste van de synthetische polymeren is het harde, onbrandbare en goedkope bakeliet, geschikt voor telefoons, stekkers, stopcontacten, radio's en luidsprekers. De stof is genoemd naar de uitvinder, de Belgische chemicus Baekeland, die zich in 1890 in Amerika vestigde. Bij de luidsprekers gaat de hoofdprijs naar een zevenhoekig exemplaar van rood gemarmerd karton in een fenoplast of bakeliet omraming, naar een ontwerp uit 1926 van Philips-vormgever L.C. Kalff. Voor de nieuwe geluidsapparatuur waren kunststoffen heel geschikt. Ze hoefden op dit pas ontgonnen terrein niet op te boksen tegen oudere, traditionele materialen.

De ongeveer tweehonderd objecten in Gouda zijn allemaal vóór 1960 gemaakt. Meubels en andere grote stukken ontbreken. In de collectie-Kölsch zijn de sieraden en elegante gebruiksvoorwerpen uit de jaren twintig en dertig de karakteristieke hoogtepunten van de eerste plastic eeuw. De eeuw waarin kunststof zich nog verschool achter imitaties, in afwachting van een eigen gezicht.

    • Hetty Terwee