Heimelijk Europa voedt wantrouwen

Europa moet een radicale stap voorwaarts zetten en een echte federatie vormen, bepleitte de Franse socialist Jack Lang vorige week. William Rees-Mogg dient hem van repliek.

Vorige week verstoorde Jack Lang, oud-minister van Cultuur onder Mitterrand, de Parijse augustusrust met een opinie-artikel in Le Monde. De kop luidde: 'Ik stem niet voor het Verdrag van Amsterdam'. [Onder de kop 'Europese leiders moeten apathie afschudden' stond het 20 augustus in NRC Handelsblad.]

Weliswaar nuanceerde Lang onmiddellijk deze krasse uitspraak: hij zal niet voor het verdrag in zijn huidige vorm stemmen. Zoals alle ervaren politici houdt hij de deur voor zichzelf op een kier. Maar hij beweert wel dat hij medestanders heeft, althans in andere parlementen van de Europese Unie.

Lang kan het Verdrag van Amsterdam niet aanvaarden, omdat het niet ver genoeg gaat. Hij verwijt de opstellers van het verdrag dat zij de Europese aspiraties hebben laten varen. “In tegenstelling tot Amerika dat krachtig, creatief en expansief is, biedt Europa een aanbik van inertie.” Hij vreest precies datgene waarop veel Britse eurosceptici hopen: dat Amsterdam zal leiden tot “de zege van het ultra-liberale Europa van mevrouw Thatcher op het Europa van de wil”. Die term, L'Europe de la volonté, heeft een onaangename bijklank: het herinnert aan Leni Riefenstahls Triumph des Willens, de verheerlijkende film over de nazi-partijdag in Neurenberg.

Eurosceptici zullen uit het artikel als geheel overigens weinig geruststelling puren. Hoewel Lang de Fransen een ultra-liberaal, thatcheristisch Europa als schrikbeeld voorhoudt, is hij veel overtuigender waar hij schrijft over de feitelijke verworvenheden van de eurofederalisten. “Met de invoering van de euro hebben we al halverwege een Verenigde Staten van Europa afgelegd. Vier Europese instellingen hebben in feite al een federale status: het Europese monetaire instituut [de voorloper van de Europese Centrale Bank], het Europese Hof van Justitie, de Europese Commissie en, gedeeltelijk, het Europees Parlement.” Dat is waar, en afgezien van het democratische vijgeblad dat het Europese Parlement is, de zwakste van deze vier instellingen, zijn het bij benoeming samengestelde, bureaucratische, en geen democratische organen.

Jack Lang wil een Europese federale regering, “een echte executieve”. Om tot die nieuwe constitutie voor Europa te komen, zou hij om te beginnen iemand benoemd willen zien, “gekozen bij gezamenlijke afspraak” (wat dat ook moge betekenen) die informele contacten zou aanknopen “ver van de camera's”. Deze persoon zou dan “de basis van een nieuwe constructie” gaan leggen. Vervolgens, als tweede fase, wil hij een Europese constitutionele conventie, “samengesteld uit de volksvertegenwoordigers van de staten en uit economische en sociale organisaties”.

Deze voorstellen vormen geenszins een open, democratische benadering van een mogelijke nieuwe Europese constitutie. 'Monsieur Europa' zou, zo schijnt het, langs mysterieuze weg worden gekozen en met mysterieuze middelen te werk gaan. De opbouw van Europa is al met te veel heimelijkheid gepaard gegaan, wat tot wantrouwen heeft geleid. Het klinkt heel mooi wanneer Lang het heeft over onderhandelingen “ver van de camera's”, want de televisie is een verdacht medium, maar het houdt tevens in dat de onderhandelingen ver van de Europeanen zullen plaatsvinden. Een conventie waar “economische en sociale organisaties” een beduidende rol spelen doet nogal denken aan Mussolini's fascistische Grote Raad.

Het artikel illustreert de kloof die er bestaat tussen de Britse en de Franse publieke opinie. Wij hebben natuurlijk zelf ook onze eurofederalisten die een Verenigde Staten van Europa wensen, al geeft slechts een minderheid dat toe. Een groot aantal van hen zou wellicht de gedachte aan een Europese constitutionele conventie steunen, maar zelfs zij zouden een geheim onderhandelingsproces, gevolgd door een niet volledig representatieve conventie, in meerderheid onaanvaardbaar achten. Dit soort kwesties is veel te belangrijk om te beslissen in “discrete, informele” discussies in plaats van een openbaar, democratisch debat.

Jack Lang vergelijkt de conventie die hem voor ogen staat met de Conventie van Philadelphia, eind 18de eeuw, waaruit de grondwet van de Verenigde Staten voortkwam. De Amerikaanse grondwet is veel democratischer dan welke constitutie in Europa ook. De Europese constitutie, voorzover die zich thans aftekent, is grotendeels bureaucratisch. In de Verenigde Staten wordt de president verkozen door het hele volk; de Europese Unie heeft geen president, maar de voorzitter van de Europese Commissie wordt benoemd door de regeringen.

In zowel de Verenigde Staten als Europa worden opperste gerechtshof en directie van de centrale bank benoemd; dit zijn niet-democratische organen met verstrekkende politieke bevoegdheden. Europa heeft een parlement met beperkte macht, waarvan het lidmaatschap grotendeels wordt bepaald door een niet echt democratisch stelsel van partijlijsten. De Verenigde Staten kennen een veel machtiger Congres, verdeeld in twee 'huizen', waarvan het lidmaatschap uiteindelijk wordt bepaald door een geheel democratisch stelsel van partijgebonden voorverkiezingen.

De Europese bevolking kan de regering van de Europese Unie niet naar huis sturen; het Amerikaanse volk kan zijn president wel ontslaan, en doet dat ook regelmatig, en kan ook de meerderheid in Huis van Afgevaardigden en Senaat doen omslaan. Zelfs ter zake van de belangrijkste kwesties, zoals de overdracht van bevoegdheden van de democratische nationale regeringen naar de Europese Unie, wordt de Europese bevolking gewoonlijk niet geraadpleegd. Slechts drie landen - Frankrijk, Denemarken en Ierland - hebben een referendum gehouden over het Verdrag van Maastricht.

Na 1945 hebben de afzonderlijke naties van het nieuwe Europa, onder sterke Amerikaanse invloed, hun grondwetten volgens democratische grondslagen herzien. Democratie verving het fascisme in Italië, het Vichy-bewind in Frankrijk, het nazi-regime in Duitsland en ten slotte het Franquisme in Spanje. Alle 15 lidstaten van de Europese Unie zijn intern democratisch. Maar de Europese Unie zelf is dat niet - ze is van meet af aan bureaucratisch geweest en is gaandeweg niet beduidend minder bureaucatisch geworden. In het onwaarschijnlijke geval dat Europa, om het democratsich tekort aan te zuiveren, zou besluiten tot een gekozen presidentschap, wie zou daarvoor dan in aanmerking komen? Geen Duitser, de eerste keer - kanselier Kohl is te oud en de kiezers zouden de Duitse macht vrezen; geen man van rechts - de Europese politiek tendeert nog altijd naar een sociaal-democratisch midden; iemand die goed Engels spreekt, de eerste taal van een deel van het electoraat en in de overige landen de tweede taal; iemand die ten minste één andere wereldtaal beheerst, bij voorkeur het Frans; iemand die de kloof tussen katholieken en protestanten kan overbruggen en christelijke kiezers in alle landen aanspreekt; iemand van onder de 50, die het Europa van de jeugd vertegenwoordigt; iemand met charismatische kwaliteiten in een verkiezingscampagne en een krachtige achterban in eigen land.

Van welk gezicht doemen de contouren op als Jack Lang ooit zijn Europees Philadelphia krijgt? Van niemand anders dan de lievelingszoon der Britten, onze eigen, hoogsteigen George Washington, Tony Blair. Zou dat niet opnieuw een triomf zijn voor de gevreesde Angelsaksen?

    • William Rees-Mogg