Genesis 38; Tamar

De vooronderstelling bij uitstek van elke geslachtsboom is geslaagdheid. Van welke herleidbaarheid dan ook kan immers pas sprake zijn wanneer er op het voortplantingstraject nergens een kink in de kabel is gekomen. Uitgestorvenen kunnen nu eenmaal geen genealogische belangstelling hebben.

Mettertijd zal uit de stam van Juda niemand minder voortkomen dan koning David. Maar lang voordat het zover is, hangt Juda's toekomstige nageslacht al bijna direct aan een zijden draad. Drie zoons heeft hij, dat wel. Maar procreatief lijken ze niet veel waard. De oudste heet Er, de middelste Onan, de jongste Sela. 'Juda', zo lezen we in Gen. 38, 'nam voor Er, zijn eerstgeborene, een vrouw, genaamd Tamar. En Er, de eerstgeborene van Juda, wekte het misnoegen des HEREN op, en de HERE doodde hem.' Toegelicht wordt er verder niets; hij deugt niet. Als ik het wel heb, is het voor het eerst dat God zo drastisch optreedt tegen een afzonderlijk bijbels individu.

Niet bekend

De tijd van het drukste emplooi voor de woorden 'onaneren', 'onanie' en 'onanist' - waarboven altijd een wolk van veroordeling hangt - moet intussen ruim achter ons liggen. Tot mijn verrassing bleken ze niet eens voor te komen in het 'Woordenboek der Nederlandsche Taal'. Was de negentiende eeuw Victoriaans tot in de woordenboeken toe?

Net als zijn broer Er komt Onan lelijk aan zijn eind. 'En hetgeen hij gedaan had, was kwaad in de ogen des HEREN, en Hij doodde ook hem.' Nu resteert er nog één zoon van Juda om de voortzetting van de mannelijke lijn via Tamar te waarborgen. Maar hij is nog minderjarig. Tenminste, dat is wat Juda tegen Tamar zegt: die moet zolang maar weer bij haar vader gaan wonen 'totdat mijn zoon Sela groot is'. Maar belangrijker is dat Juda inmiddels de schrik om het hart is geslagen. 'Want hij dacht: Dat ook hij niet sterve evenals zijn broeders.' En nu komt het prachtig gedetailleerde verhaal van de list van Tamar, die weer bij haar vader is gaan wonen. De vrouw van Juda sterft. Na afloop van de rouwtijd zal Juda met een vriend naar zijn schapen gaan om ze te scheren. Dit is zijn schoondochter ter ore gekomen. Zij trekt haar weduwkleed uit, bedekt zich met een sluier, vermomt zich en gaat aan de weg zitten waar Juda langs moet komen, 'omdat zij gezien had', - zo staat er dan met magnifieke terloopsheid - 'dat Sela groot geworden was, en zij hem niet tot vrouw was gegeven.' Juda houdt haar voor een hoer, en wel 'omdat zij haar aangezicht bedekt had'. Opmerkelijk: in de oudere godsdienst word je voor hoer versleten als je je gezicht wel, in de jongere als je je gezicht niet bedekt.

Juda wil wel. Tamar informeert naar haar 'petit cadeau'. Juda, die om zo te zeggen geen geld bij zich heeft, belooft een geitebokje te zullen zenden. Daarop vraagt Tamar om een pand. 'Hij zeide: Wat voor pand moet ik u geven? Zij zeide: Uw zegelring, uw snoeren en de staf die in uw hand is.' Zo gezegd, zo gedaan. Na afloop wil Juda via zijn vriend het beloofde geitebokje sturen, maar de vriend treft haar niet aan. De vrouw is onvindbaar. Drie maanden later krijgt Juda bericht dat zijn schoondochter zwanger is. 'Toen zeide Juda: Brengt haar naar buiten, opdat zij verbrand worde.'Dit is het moment waarop Tamar gewacht heeft. 'Zie eens goed, van wien deze zegelring en snoeren en staf zijn.' 'Toen herkende Juda ze en hij zeide: Zij staat tegenover mij in haar recht, omdat ik haar niet aan mijn zoon Sela heb gegeven.' 'En hij heeft geen gemeenschap meer met haar gehad', zo staat daar dan nog zwijgzaam achter.

Tamar baart een tweeling, genaamd Perez en Zera. Hun rol is direct al uitgespeeld. Zij komen in het verhaal niet meer voor. Tussenpersonen zijn het geweest, ter blamering van de man die eigenlijk hun grootvader had moeten zijn, niet hun vader, Juda.