Brinkman ziet nog altijd kans op terugkeer

DEN HAAG, 27 AUG. De voormalige korpschef J.W. Brinkman ziet nog altijd een mogelijkheid om terug te keren bij het regiopolitiekorps Rotterdam Rijnmond. Dan moet wel een goed gesprek plaatsvinden met korpsbeheerder Peper. “Maar dat lijkt me voor volwassen mensen geen probleem”, aldus Brinkman. Hij zei dit gisteren tijdens een kort geding voor de president van de rechtbank in Den Haag, waarin hij zijn ontslag aanvecht.

Brinkmans advocaat, C. van Leeuwen, eiste gisteren dat Brinkmans ontslag wegens “onverenigbaarheid van karakters” per 1 oktober 1997, ongedaan wordt gemaakt. Daarnaast eist hij dat alsnog een bemiddelingspoging wordt gedaan in het conflict tussen Brinkman en korpsbeheerder Peper en de burgemeesters in de regio, het regionaal college. Die zegden begin juni het vertrouwen in Brinkman op. Eerder was Brinkman in aanvaring gekomen met de ondernemingsraad van het regiokorps en enkele politiebonden.

Aanleiding voor het opzeggen van het vertrouwen door de bestuurders was dat Brinkman niet onmiddellijk akkoord ging met een rapport van Peper over de crisis bij de Rotterdamse politie, tijdens een vergadering van het regionaal college op 2 juni. Brinkman gaf op 3 en 4 juni alsnog te kennen het rapport loyaal te zullen uitvoeren, maar dit was voor Peper en de burgemeesters te laat. Volgens het regionaal college was door Brinkmans kanttekeningen sprake van het ondermijnen van het 'bevoegd gezag'. Brinkmans advocaat Van Leeuwen stelde echter dat Brinkman het volste recht had kanttekeningen te plaatsen bij het rapport, dat hij pas een half uur van te voren onder ogen kreeg.

De rechtbankpresident, M.D.J. van Rheenen-Stroebel, leek dit met hem eens te zijn. “Ik zie niet in waarom de heer Brinkman toen geen vragen meer mocht stellen”, zei zij tegen landsadvocaat J.L. de Wijkerslooth, die namens de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie optrad. Ook vroeg de president aan hem: “Vindt u het een aanvaardbare manier van doen om iemand een half uur voor een vergadering te confronteren met een rapport waarin een aantal kritische zaken staan over zijn persoon?”

Drie dagen na de gewraakte vergadering, op 5 juni, nam het college een verklaring aan waarin gesteld werd dat het vertrouwen in Brinkman “ernstig ondermijnd” was. Voor die formulering werd gekozen op aandringen van hoofdofficier L. de Wit. “Dat het vertrouwen is ondermijnd is een hard oordeel, maar de deur zit daarmee nog niet helemaal dicht”, zei hij daarover destijds in deze krant. Peper rapporteerde echter aan minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) dat het vertrouwen “onherstelbaar is beschadigd”, aldus advocaat Van Leeuwen. De minister is daar vervolgens ten onrechte van uitgegaan bij zijn ontslagbesluit, betoogde hij.

Op 24 juni rapporteerde Peper in een volgens Van Leeuwen “demagogisch stuk vol onwaarheden, verdraaiingen en verzonnen verhalen” vervolgens aan de minister dat Brinkman ongeschikt was voor zijn functie. Tevens zou Peper de beschadiging van Brinkman in de media hebben geïnstigeerd, onder andere door te stellen te stellen dat Brinkman in de ban zou zijn van een 'goeroe'. Dijkstal besloot hierna echter Brinkman te ontslaan op grond “onverenigbaarheid van karakters” en niet op grond van ongeschiktheid. Van Leeuwen bestreed deze ontslaggrond door erop te wijzen dat Peper Brinkman tot 2 juni in het openbaar steeds had gesteund. Peper zou vervolgens het conflict met Brinkman vanaf 2 juni hebben “geforceerd”.

Landsadvocaat De Wijkerslooth betoogde dat Brinkman onvoldoende rekenschap had gegeven van “zijn ondergeschiktheid aan de korpsbeheerder” krachtens de Politiewet. Hij stelde dat het 'cosmetisch oplappen' van de verhouding tussen korpsbeheerder en korpschef door een bemiddelingspoging tot moeizame samenwerking kan leiden bij bijvoorbeeld crisissituaties. Brinkman zou daarnaast geen blijk hebben gegeven van “overmatige realiteitszin” in zijn houding ten opzichte van de ondernemingsraad. Volgens De Wijkerslooth was er op 5 juni wel degelijk sprake van onherstelbaar beschadigd vertrouwen. Brinkman zou zich vervolgens onvoldoende terughoudend hebben opgesteld in de media. Daarom kwam het regionaal college op 16 juni definitief tot het oordeel dat zijn positie onhoudbaar was geworden. De Wijkerslooth: “De minister kon toen al moeilijk anders meer dan oordelen dat het ontslag van de heer Brinkman onvermijdelijk was.”

Namens korpsbeheerder Peper noemde advocaat W. Dommering het verzoek om bemiddeling “eigenlijk onbegrijpelijk” in het licht van Brinkmans kwalificaties van het optreden van Peper. Een goed gesprek tussen Brinkman en Peper zou volgens hem niet baten. “Zo simpel is het niet.” Tijdens de pauze van het kort geding zei Brinkman: “Ik heb er zin in om weer terug te komen. Ik ben inmiddels goed uitgerust.”

Uitspraak op 2 september.