Urtica

Van alle spontaan opkomende gewassen die op de zeeklei welig tieren - de vlier, de braam, de haagwinde, het glaskruid en de brandnetel - kun je met de grote brandnetel, Urtica dioica, het gemakkelijkst tot een gentleman's agreement komen. De brandnetel komt namelijk elk jaar op precies dezelfde plaatsen op.

Weliswaar probeert hij altijd aan de randen van z'n areaal een stukje land erbij te pakken, maar als je de aldaar opkomende verse brandneteltjes eruit probeert te trekken, blijken ze nog niet zo diep geworteld te zijn, en kun je ze dus gemakkelijk verwijderen. Waar ze echter altijd al opkwamen, daar krijg je ze doodgewoon niet weg. Daar komen ze, al in het vroege voorjaar, massaal en over een breed front op. Het beste is om ze maar gewoon te laten groeien. Met de zeis maai je ze, zelfs na St. Jan, makkelijk af als ze tot je enkels of eventueel je knieën komen en als je dat de hele zomer door volhoudt heb je steeds een laag, liefelijk tapijt van jonge, lichtgroene brandneteltjes. Van die jonge brandneteltjes kun je een bloedzuiverend soepje trekken, dat heel hoog aangeschreven staat in de wereld van kruidenvrouwtjes en rauwkosteters, maar ik moet eerlijk bekennen dat ik geen liefhebber ben van die akelig bittere brandnetelsoep.

Uiteraard kan het, bijvoorbeeld rondom de composthoop, ook aantrekkelijk zijn de brandnetels te laten doorgroeien tot schouderhoogte, want zo'n ferm, hecht aaneengesloten brandnetelbos werkt als een magneet. Heb je geluk - en dat geluk heb ik afgelopen jaren meermalen gehad - dan strijkt de Atalanta of de Dagpauwoog of de Kleine Vos op je brandnetels neer. Nachtvlinders, kevers, snuittorren, wantsen - ze mogen zich allemaal graag en soms in grote aantallen vermeien op de brandnetels. Hoewel de kraamkamer van de nachtegaal doorgaans midden in zo'n brandnetelbos wordt gevonden, heeft er op mijn terrein helaas nog nooit een nachtegaal gebroed. Ook de bosrietzanger, die eveneens graag in de brandnetels bakert, heeft de weg naar mijn welige brandnetelbegroeiing nog niet weten te vinden. Misschien dat ik voor die topvogels mijn brandnetelareaal nog wat moet uitbreiden.

Je zou overigens denken dat brandnetels die elk jaar op dezelfde plek opkomen, de grond toch langzamerhand moeten uitputten. Toen ik pas op de zeeklei woonde, dacht ik: laat de brandnetels maar groeien, onvermijdelijk raakt het nitraat en fosfaat waar ze zo naar hunkeren in de bodem wel op, en dan komt er vanzelf ruimte voor andere planten. Maar niks hoor, al maai je ze steeds af en haal je het maaisel terstond weg om er je composthoop mee te verrijken, de brandnetel blijft jaar in, jaar uit koppig opkomen op dezelfde plek, alsof de zeeklei aldaar over immense voorraden nitraat en fosfaat beschikt.

Aantrekkelijk van de brandnetel is ook dat de bok hem zo graag lust. Het heeft iets reuze aandoenlijks om te zien hoe een geit doodgemoedereerd, en duidelijk hap na hap genietend, zo'n brandneteltop met zijn zo heel zachte lipjes op staat te peuzelen. Blijkbaar heeft hij helemaal geen last van de histamine die vrijkomt als de brandnetelcellen zich via hun naaldscherpe stekels ledigen in de huid van degeen die hen aanraakt. Ik moet eerlijk zeggen: ik ben erg op brandnetels gesteld, maar het feit dat ze zo gemeen kunnen prikken, pleit in hun nadeel. Laatst droomde ik, nadat ik 's avonds laat een opmerkelijk gedurfde Rivella-reclame had gezien met een Strenge Meesteres erin, dat ik door zo'n dame met verse brandnetels werd afgetuigd. Een nachtmerrie! Gelukkig werd ik gewekt door een verlaat vliegtuig dat midden in de nacht op zoek was naar Schiphol. Het eigenaardige is dat men blijkbaar in de Sado-sector, terwijl de laatste jaren SM - je ziet het ook aan zo'n Rivella-reclame - toch in begint te raken, de duizelingwekkende folter- en martelmogelijkheden van de brandnetel nog niet heeft ontdekt. Zweep en mattenklopper steken daar bepaald schril bij af, dunkt mij. Maar misschien breng ik nu iemand op een idee. Bij mij zijn in ieder geval tegen reuze billijke prijzen manshoge brandnetels te koop die zelfs twee uur nadat ze afgeplukt zijn nog uiterst pijnlijk kunnen steken! Bovendien: de pijn blijft! Op mijn trouwdag in juli 1967 moest ik, gevolgd door alle bruiloftsgasten, mijn bruid door een bosje brandnetels dragen. Achter mij liep mijn vader. Tegen mijn schoonmoeder zei hij: “In juli steken de brandnetels niet”, en met zijn sterk vereelte handen plukte hij een paar brandnetels af om haar dat te demonstreren. Mijn schoonmoeder plukte toen ook wat brandnetels af. 's Avonds laat liep ze nog te krabben!

    • Maarten ’t Hart