Rechters

Het artikel 'Rechtsstaat heeft meer rechters nodig' (NRC Handelsblad, 18 augustus) van mr. Quant, is mij uit het hart gegrepen. Daargelaten de weinig elegante wijze waarop een aantal rechterlijke colleges hun advocaten / rechters-plaatsvervangers als waardgelders hebben afgedankt, heeft Justitie wel erg snel en gemakkelijk een modieuze buiging gemaakt in de richting van de groep 'verontruste burgers', kennelijk zonder degelijk onderzoek naar de representativiteit van die groepering en de door haar gesignaleerde gevallen van - mogelijke - belangenverstrengeling.

Quant geeft in zijn artikel zelf al aan, dat het beleid bij de benoeming van rechters al tientallen jaren stoelt op het beginsel dat circa de helft voortkomt uit de eigen opleiding en de andere helft - veelal advocaten - als buitenstaanders wordt aangetrokken. Dat beleidsbeginsel verdient meer aandacht dan Justitie er in dit kader aan lijkt te schenken. Zonder een plaatsvervangerschap gedurende enkele jaren als inloopperiode is de overgang van de advocatuur naar het rechterschap bepaald minder effectief. Bovendien missen zowel de advocaat/kandidaat-rechter als het betreffende college de mogelijkheid, tijdig te beoordelen of de voorgenomen overstap een vruchtbare zal zijn.

Het bijkomende voordeel, dat minder rechters in vaste dienst behoeven te worden benoemd door de beschikbaarheid van rechters-plaatsvervangers, is dan mooi meegenomen en behoeft, gelet op het bovenbedoelde benoemingsbeleid, ook niet te worden gekwalificeerd als klaploperij.

Minister Sorgdrager zou er dan ook goed aan doen, zich nog eens te bezinnen op de wenselijkheid en de functionaliteit van het rechter-plaatsvervangerschap, met name van advocaten, een instituut dat al vele jaren voortreffelijk werkt.