Oplossing voor het voedselprobleem? Nog even niet

Vijfentwintig jaar geleden leek een obscuur plantje de sleutel te zijn tot 'de graanschuur van miljarden'. Het spoor terug naar een primeur die als een nachtkaars uitging.

ROTTERDAM, 26 AUG. Hoe de ontmoeting tot stand was gekomen is me na 25 jaar ontschoten, maar dat doet niet zoveel ter zake. Op vrijdag 21 april 1972 hadden wij - mijn collega-verslaggever Frans van Klaveren en ik - een gesprek met de toen 79-jarige G.F. van der Meulen, land- en bosbouwkundig ingenieur in Den Haag. Dat leidde tot twee opvallende publicaties in NRC Handelsblad van de daaropvolgende zaterdag. Eén stond er op de voorpagina, het was wat men noemt de opening van de krant, en had als kop: “Oplossing voor het voedselprobleem”.

Van der Meulen, die werd gesteund door enkele vooraanstaande en hooggeleerde biologen, kwam naar voren als 'uitvinder' en propagandist van een landbouwmethode die het voedselprobleem in de tropische landen blijvend zou oplossen. Een oppervlak van twee miljard hectare land waar in het gunstigste geval slechts taaie grassen wilden groeien, zou binnen korte tijd kunnen worden herschapen in een reusachtige voedselschuur voor twintig miljard mensen. Het betrof de halfwoestijnen, savannesteppen en graswildernissen die steeds grotere delen van Zuidoost-Azië, India, Afrika en Latijns Amerika bedekten.

“Een waarlijk groene revolutie”, zo betitelde de bejaarde ingenieur zijn systeem, dat berustte op de aanplant van een vegetatie die de grond permanent vochtig houdt, de bodemstructuur verbetert en het (micro)biologische leven herstelt.

Een sleutelrol daarin vervulde de 'dauwvanger' Centrosema pubescens, een tropische plant die het vermogen zou hebben om met zijn bladeren vocht uit de atmosfeer op te nemen en het via zijn wortels aan de bodem af te staan. Dus omgekeerd aan het gangbare proces.

Van der Meulen in 1972: “Na een jaar wordt de stimulerende vegetatie gekapt en blijft ze als groenbemesting achter. Op de nu vochtige grond gedijen uiteenlopende voedingsgewassen als maïs, rijst en cassave.” Zelfs de door napalm en ontbladeringsmiddelen verminkte grond van Vietnam (toen hoogst actueel) zou hierdoor weer spoedig vrucht kunnen dragen.

Het bewuste artikel, breedvoerig toegelicht op pagina 3, had effecten waar iedere journalist op hoopt. Van der Meulen kwam op tv en politici vroegen om nadere informatie. Even mochten Frans en ik zelfs het het genoegen smaken van een wereldprimeur, want internationale persbureaus, ik meen AP en UPI, namen de strekking van het verhaal onbekommerd over.

Helaas was de vreugde van korte duur. In de weken en maanden die op de publicatie volgden, bleef het angstvallig stil rond Van der Meulen. In onze krant verscheen nog slechts een ingezonden brief van prof. dr. A. Quispel, hoogleraar experimentele plantkunde in Leiden, die tot de supporterskring van de ingenieur behoorde.

Quispel nam daarin afstand van enkele aan hem toegeschreven citaten: “Mij zijn uitspraken in de mond gelegd die ik zeker niet in deze vorm heb geformuleerd en die, zonder verdere nuancering, tot hoogst ongewenste misverstanden aanleiding kunnen geven”. Tegelijk bleef hij het procédé-Van der Meulen toejuichen: “De grote betekenis van zijn methode ligt in de hoop en verwachting dat ze ertoe zal kunnen bijdragen de onrustbarende teruggang van het groene areaal op onze planeet een halt toe te roepen en de verwoeste, uitgedroogde gronden weer tot cultuurgrond terug te brengen.”

Verder kan ik, bladerend in oude krantenleggers, geen woord meer over de affaire vinden. Ook mijn geheugen laat me in de steek, zodat slechts één conclusie rest: de zaak is als een nachtkaars uitgegaan.

Van de hoofdrolspelers uit 1972 leeft er 25 jaar na dato nog één: dr. Quispel, emeritus-hoogleraar en nu net zo oud als Van der Meulen toen. “Ja, dat van die nachtkaars klopt”, kan hij zich herinneren. “Er is destijds nog een commissie benoemd om na te gaan of dit soort methoden zou kunnen bijdragen aan een oplossing van het wereldvoedselvraagstuk. Ik was er zelf lid van en we hebben een positief rapport uitgebracht, maar dat is door de politiek niet opgepikt. En wat Van der Meulen zelf betreft: hij was ongetwijfeld een pionier, maar niet uniek, ook anderen waren met dezelfde materie bezig.” Heeft hij nadien nog contact met hem gehad? “Nee, ik heb nooit meer iets van de man vernomen.”

En dat wonderbaarlijke plantje, dat de sleutel had moeten zijn om een “voedselschuur voor twintig miljard mensen” te openen? De Centrosema pubescens begint opnieuw en bijna letterlijk voor me te leven op het Internationaal Agrarisch Centrum in Wageningen. Directeur J.J. Hooft bespeelt zijn computer met als gevolg dat er een gewas met vlindervormige, lilakleurige bloemen verschijnt, een tropische lathyrus. “Dat is hem, de pubescens, van oorsprong Braziliaans.”

Maar of deze plant over de opmerkelijke eigenschappen beschikt die hem in 1972 werden toegeschreven, is nog onduidelijk. Medewerker W. Klaver, voedingskundige: “De soort is ons bekend, maar hij geldt zeker niet als een wondermiddel ter oplossing van het voedselvraagstuk.”

Raadpleging via Internet van diverse botanische databestanden all over the world moet verder uitsluitsel geven en dat gebeurt. Uit Indonesië, Nigeria, Tanzania en Brazilië stroomt de informatie binnen. De Centrosema pubescens is een nuttige bodembedekker, een bodemverbeteraar zelfs (want hij verrijkt de grond met stikstof), moeilijk in het geven van zaad, tamelijk resistent tegen droogte en een veelbelovend voedingsgewas voor grazend vee. Maar dat hij vocht aan de lucht zou onttrekken om het aan de aarde af te staan, blijkt uit geen van de referenties.

“Misschien”, oppert agronoom C. Hellingman, “heeft de pubescens dat vermogen wel, maar is er landbouwkundig geen efficiënt gebruik van te maken. Het kan ook zijn dat er ziekten en plagen optreden als ze met z'n allen op een kluitje staan.”

Kortom, de steen der wijzen omtrent de pubescens blijft ook in Wageningen voor me verborgen. En Van der Meulen is er niet meer om het mysterie te onthullen.