OM is nog steeds een speeltuin van belangen

De 'aanwijzing' van Van minister Mierlo om niet over te gaan tot arrestatie van Desi Bouterse doet de vraag rijzen wie precies bij het openbaar ministerie aan de touwtjes trekt. Een pijnlijke zaak die aantoont dat sprake is van een gezagscrisis, stelt Micha Kat.

Wie trekt er bij het OM aan de touwtjes? Docters van Leeuwen, de hoogste man van de vervolgingsinstantie, minister Sordrager, die zich na een felle concurrentiestrijd met de super procureur-generaal (PG) nadrukkelijk politiek verantwoordelijk heeft gesteld voor het OM, of elke willekeurige vakminister, die blijkbaar een veto-achtige bevoegdheid heeft in een vervolgingszaak die hem slecht uitkomt?

Minister Van Mierlo zei tegen president Wijdenbosch van Suriname dat de vervolging van misdadigers in ons land een zaak is waar het kabinet zich niet mee kan bemoeien, maar schond dit principe eigenhandig door de op handen zijnde arrestatie van Bouterse te blokkeren. Op grond hiervan moet het antwoord op bovenstaande vraag zijn: de vakminister. De politieke verantwoordelijkheid ligt echter bij Justitie. De vervolging zelf daarentegen is weer het terrein van Docters. De wet geeft hem vrijwel de vrije hand. Wie van de drie?

Deze gezagscrisis die eind vorige week zo onbarmhartig aan het licht trad is extra pijnlijk omdat het OM al enige jaren in een structureel proces van reorganisatie is verwikkeld waarbij nu juist deze gezagsvraag centraal staat. Dit najaar moet deze reorganisatie haar definitieve beslag krijgen in een wetsvoorstel ('betreffende de reorganisatie van het OM en de instelling van een landelijk parket') waarin de gezagslijnen glashelder zijn neergelegd. De concept-wettekst spreekt immers van 'een volledige ministeriële verantwoordelijkheid voor al het handelen van het OM'. Bovendien krijgt de minister van Justitie de bevoegdheid vervolging af te dwingen dan wel te doen staken, de zogeheten 'aanwijzingsbevoegdheid'.

Op dit wetsvoorstel zijn karrevrachten kritiek uitgestort die zelfs zo ver gaat dat niet duidelijk is wat de staatsrechtelijke positie van het OM nu precies is: 'een onderdeel van de rechterlijke organistie of van het landsbestuur' (Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak) of dat 'de aanwijzingsbevoegdheid van de minister kan leiden tot een vervolging die wordt bepaald door de waan van de dag' (Nederlandse Orde van Advocaten).

Deze kritiek raakt de kern van dit reorganisatieproces dat er duidelijk op is gericht van het OM een deel van het landsbestuur te maken met een almachtige minister achter de knoppen. Een situatie die zal leiden tot enorme problemen. Want hoewel de wet zelf nog moet worden aangenomen, is het hele proces dat eraan ten grondslag ligt al in gang gezet en kunnen reeeds nu vele voorbeelden worden genoemd waaruit blijkt hoe een dergelijk 'OM nieuwe stijl' zal opereren. Als het kabinet prioriteit geeft aan de bestrijding van de harde criminaliteit, gooit het OM de beuk erin. Of de kroongetuige-constructie daarbij wel of niet is toegestaan, zal de officieren een zorg zijn. Vonnissen moeten er komen. Vonnissen waarmee het kabinet kan scoren. Als zedenzaken in de publiciteit staan, moet ook op dit punt concreet succes kunnen worden gemeld. Geen second thoughts dus om op uiterst dubieuze gronden een politieman op Schiermonnikoog met een helikopter van zijn bed te lichten en als de Nederlandse Dutroux af te voeren.

Varkenspest? Vervelend voor het kabinet. Niet te veel negatieve publiciteit dus. Maar geen nood: het OM beperkt de bevoegdheid van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming en verbiedt de inspecteurs proces-verbaal op te maken of de pers te benaderen. Dit is ook het klimaat waarin uitwassen kunnen ontstaan als de 'Zaanse verhoormethode', een psychische marteling met geen ander doel dan verdachten te laten bekennen. Aan de hand van exact dezelfde voorbeelden wordt echter ook duidelijk hoe succesvol dit nieuwe OM zal zijn. Niet erg succesvol dus, want op al deze punten zijn de crimefighters van een ijskoude kermis thuisgekomen. De meest recente zeperd was die van eind vorige week, toen de rechter (die gelukkig nog wel onafhankelijk is) de kroongetuigeregeling in de Hakkelaar-zaak strijdig met de wet bevond. Officieren van justitie, leden van de rechterlijke macht, die handelen in strijd met de wet - sterker nog, hun hele zaak funderen op een onwettig bouwwerk - het zou niet lang geleden compleet ondenkbaar zijn geweest. 'You win some, you loose some' zei een officier. Het zijn echter woorden die passen bij de advocaat. Ook die dient immers een exclusief belang: niet dat van de overheid, maar dat van zijn cliënt.

En dan nu de zaak-Bouterse. Jarenlang heeft het OM met een speciaal team aan dit dossier gewerkt. Doel: arrestatie en berechting van drugscrimineel D.D.B.. Het bewijs lijkt rond te zijn. De arrestatie lijkt op handen, de kans op uitlevering reëel. Een standaard-situatie in een strafzaak waarin een beroep moet worden gedaan op het buitenland. En dan komt de minister van Buitenlandse Zaken (zijn argumentatie blijft hier buiten beschouwing) met een 'aanwijzing' de verdachte te laten lopen. Was het de minister van Justitie geweest, dan waren de problemen al groot genoeg. In die situatie had een mogelijk verweer van de minister kunnen zijn dat zij 'anticipatoir' handelde in de geest van een wet die officieel nog van kracht moet worden. Deze figuur is niet uitzonderlijk, maar in dit geval nauwelijks te verdedigen. Al is het alleen maar omdat in het wetsvoorstel zowel het college van PG's als het parlement absoluut geconsulteerd moeten worden in het geval van een aanwijzing. Als de minister van Justitie immers zonder ruggespraak het vervolgingsbeleid zou kunnen bepalen, is het definitief gedaan met de klassieke scheiding der machten. In de zaak-Bouterse is deze scheiding der machten al ver te zoeken. Immers: vanuit politieke opportuniteit brengt niet de minister van Justitie, maar die van Buitenlandse Zaken de rechterlijke machine tot stilstand, en dat zonder zich daarbij iets aan te trekken van het OM of het parlement.

In de huidige wettelijke situatie zou het OM de vrije hand moeten hebben in de zaak-Bouterse en dit varkentje samen met het (internationale) opsporingsapparaat moeten kunnen wassen. Politieke gevoeligheden zouden dan binnen het OM moeten zijn afgewogen (hiertoe waren zelfs speciale mensen vrijgemaakt) waarna op grond van het opportuniteitsbeginsel een vervolgings- dan wel aanhoudingsbeslissing had kunnen worden genomen. Overleg met Buitenlandse Zaken is daarbij altijd mogelijk, maar het laatste woord had moeten komen van Docters van Leeuwen, dezelfde man die de berechting van Bouterse dit voorjaar met zoveel aplomb aankondigde. Deze verantwoordelijkheid voor de vervolging maakt het werk voor het OM nu juist zo interessant en belangwekkend: de officier heerst als een ware magister (meester, vandaar de aanduiding magistraat) over de vervolging van misdadigers.

Trekken we daarentegen deze 'Van Mierlo-doctrine' door - waarin een minister (dienaar) zichzelf eigenhandig promoveert tot magister - kunnen we in de toekomst situaties verwachten waarin minister Jorritsma de vervolging afblaast van een grote vliegtuigmaatschappij die de geluidswetten op Schiphol schendt, minister Van Aartsen verordonneert dat een gerechtelijk vooronderzoek naar malversaties met besmet varkenssperma direct moet worden gestaakt of dat minister Voorhoeve laat weten dat er geen sprake kan zijn van een zaak tegen Defensie die complete legeronderdelen heeft blootgesteld aan een overdosis asbest.

Klinken deze voorbeelden cru? Ze zijn het niet. Zie de ingreep van Van Aartsen. En uit het rapport van de commissie-Biesheuvel inzake de grootste vervuilingszaak uit de Nederlandse geschiedenis blijkt dat er sterke aanwijzingen bestaan dat de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat een gerechtelijk vooronderzoek naar Tank Cleaning Amsterdam (TCA) heeft gesaboteerd omdat vervolging van TCA tot grote politieke problemen zou leiden. Zulke grote problemen, dat zelfs het saboteren van het vooronderzoek niet mocht worden onderzocht. Deze twee 'ministeriële aanwijzingen' verschillen niet principieel van de actie van Van Mierlo: het algemeen belang (de vervolging van strafbare feiten) wordt opgeofferd aan een departementaal deelbelang. Is het al omstreden genoeg dat de minister van Justitie zeggenschap krijgt over het OM, als ook andere ministers het vervolgingsbeleid kunnen gaan bepalen is het einde van de rechtsstaat nabij.

De reorganistie van het OM is er op gericht een verknipte organisatie van 19 parketten een duidelijke hiërarchische structuur te geven waarin een college van procureurs-generaal, aangevoerd door een 'super-PG',de lakens uitdeelt. Op deze constellatie, die moet leiden tot een homogeen landelijk opsporings- en vervolgingsbeleid, heeft niemand kritiek. Die kritiek is er echter in dubbele mate waar het gaat om de invloed van de minister, die van Justitie wel te verstaan. Om deze kritiek te ondervangen omkleedt de nieuwe wet de invloed van de minister met tal van checks and balances. De minister van Buitenlandse Zaken nu heeft de discussie omtrent de ultieme zeggenschap over het OM met zijn omstreden aanwijzing een nieuwe dimensie gegeven waarvan een onaangename precedent-werking kan uitgaan. Want waarom mag Van Mierlo wel ingrijpen in de rechtsgang, maar Van Aartsen niet? Maar het kan allemaal nog veel erger. Om een gepolitiseerd OM te kunnen terugfluiten (zoals is gebeurd bij de kroongetuigeregeling in de Hakkelaar-zaak), is een onafhankelijk rechter onontbeerlijk. Ook deze onafhankelijheid, het ultieme symbool van de rechtsstaat, staat in het huidige klimaat echter ter discussie. J. Donner, de architect van de reorganisatie van het OM, schreef medio 1995 in het blad Justitiële Verkenningen: “Deze onafhankelijkheid betreft niet zozeer de individuele rechters, maar de rechterlijke macht als zodanig, en die moet als geheel zijn georiënteerd op de staat. De rechterlijke macht is onderdeel van de overheidsmacht.” Door zijn ingreep heeft Van Mierlo dit laatste idee alvast in de praktijk gebracht.