Loodswezen kost de schatkist niets

Privatiseren kost geld. Maar dat de privatisering van het loodswezen de schatkist miljoenen kost, zoals vorige week op deze pagina werd beweerd, is klinkklare nonsens die niet overeenstemt met de feiten vindt H. Nijsse.

Het artikel van dr. P.E. Huisman in NRC Handelsblad van 20 augustus onder de titel 'Meer markt is vaak minder kwaliteit voor meer geld' kan zeker van de kant van het loodswezen niet onbeantwoord blijven. Met name de stelling dat het geprivatiseerde loodswezen de schatkist miljoenen kost en dit in de toekomst in verhevigde mate zal blijven doen, is klinkklare nonsens. Dit valt vooral op van iemand die uitdrukkelijk schijnt te hechten aan de wetenschappelijke onderbouwing van stellingen, zoals in het artikel betoogd.

Iedereen die ook maar enigszins de moeite zou nemen om kennis te nemen van de (openbare) stukken met betrekking tot de privatisering van het loodswezen zou er in deze trant niet over schrijven.

Volgens het rapport van de Algemene Rekenkamer over de privatisering, of liever gezegd de verzelfstandiging, van het loodswezen (1989) kost het Rijk dit 54 miljoen gulden per jaar. De Rekenkamer kwam tot deze conclusie door de budgettaire kosten van de overheidsdienst waaronder het loodswezen ressorteerde (Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken) over het laatste volle kalenderjaar onder de overheid (1987) te vergelijken met de bedrijfseconomische kosten van het geprivatiseerde loodswezen. Nu weet iedereen dat het budgettaire stelsel in tegenstelling tot het bedrijfseconomische stelsel geen afschrijvingen kent en er bovendien binnen de overheid allerlei kostenposten niet op de desbetreffende organisatie drukken maar op andere begrotingsposten, zoals huisvestingskosten, centrale administratieve diensten, bedrijfsmedische zorg en huur van kades. Daarnaast verzekert het Rijk zich niet tegen eventuele schade.

Het hoeft geen betoog dat het Rijk met name in het laatste volle kalenderjaar voordat het afscheid nam van het loodswezen, niet of nauwelijks nog investeringen heeft gepleegd in materieel voor het loodswezen. Ter illustratie zou de aanschaf van een loodsvaartuig volgens het toenmalige type circa 18 miljoen gulden hebben gevergd, wat in dat geval zou hebben geleid tot evenzoveel hogere (budgettaire) kosten of, met andere woorden, tot een verschil van niet 54 miljoen gulden maar van 36 miljoen gulden. Bij relatief grote investeringen in dat jaar zou de conclusie van de Rekenkamer dan zelfs geweest zijn dat het uitermate voordelig voor het Rijk was geweest om het loodswezen te privatiseren.

Al deze elementen maken de door de Rekenkamer gepleegde vergelijking er een van appels en peren. Dit is ook ruimschoots en onderbouwd aangetoond door de na het rapport van de Rekenkamer door de minister van Verkeer en Waterstaat ingestelde Commissie Verzelfstandiging Loodsdienst (CVL). Deze heeft via de uitgebreide analyse van Coopers & Lybrand aangetoond dat de Rekenkamer er, uitgaande van dezelfde systematiek, 41 miljoen guldens naast zat. Bleef nog over een 'verschil' van 13 miljoen gulden. Dit verschil kon niet worden gekwalificeerd als duurder maar bleek niet te kunnen worden herleid. Uit de overheidsadministratie kon namelijk niet worden opgemaakt hoeveel het loodswezen nu werkelijk kostte. Dit is ook niet zo vreemd, want dezelfde Rekenkamer mopperde ieder jaar dat vele overheidsadministraties geen goedkeurende accountantsverklaringen konden krijgen. Dit gold in die tijd ook voor Verkeer en Waterstaat. Ook het rapport van de CVL is in de openbaarheid gebracht, onder andere door aanbieding aan de Tweede Kamer die, kennelijk ondermeer op grond daarvan, geen enkele behoefte had om inhoudelijk op het rapport van de Rekenkamer in te gaan.

Volledigheidshalve moet worden vermeld dat het loodswezen in de periode 1988-1997 totaal een bedrag van 358 miljoen gulden aan het Rijk heeft betaald, waarvan 168 miljoen gulden als netto afdracht en 190 miljoen gulden als terugbetaling van leningen en vergoeding van bij het Rijk achtergebleven kosten van functioneel leeftijdspensioen en -ontslag.

Ten aanzien van de voorstellen van de commissie-Frissen met betrekking tot het bijpassen uit de algemene middelen voor onrendabele diensten moet worden opgemerkt dat het loodswezen daar ook geen voorstander van is omdat de prijs-prestatieverhouding zodanig moet zijn dat dit niet nodig is. Alleen dient het verlaten van het huidige model op zuivere wijze plaats te vinden en is het vooral een deel van de scheepvaart en de kleinere havens die niet gaarne verschuivingen zien in de relatief te lage tarieven. De met name grotere scheepvaart die daardoor in verhouding te hoge tarieven betaalt (kruissubsidie) is daartoe uiteraard niet (meer) bereid. Het huidige tariefstelsel dat overigens door de overheid is beheerst, lijkt ook meer op een belastingstelsel dan op een redelijke tariefstelling.

In dit verband moet ook worden vermeld dat de tarieven nimmer ter gelegenheid van de privatisering zijn gestegen en sinds het loodswezen daar enige invloed mag uitoefenen (1995) juist met vele miljoenen zijn gedaald. Voorts zijn en worden nog steeds vele miljoenen gestoken in de modernisering van het materieel, is een eigen heli-dienst gevestigd op de Maasvlakte en hebben de Nederlandse loodsen internationaal een uitstekende naam.