Ingetogen liefde voor de wereld

Toen Giorgos Seferis begraven werd, de Griekse Nobelprijswinnende dichter, liep een enorme menigte achter de kist, en die menigte zong. Ze zong een gedicht van Seferis, op muziek gezet door Theodorakis, dat eindigde met de woorden: “en we veranderden van leven”. Grieken kunnen heel goed begraven. Een dergelijk eerbetoon is het mooiste dat zich denken laat.

Ida Gerhardts gedichten zijn niet op muziek gezet, in ieder geval niet zó dat we ze allemaal kunnen meezingen. Ze lijken zich ook niet zo te lenen tot gezang, streng en veroverd op wanhoop en duisternis als ze zijn. Toch is er wel reden om aan te nemen dat met haar dood ons leven is veranderd. Natuurlijk kan haar poëzie nog steeds gelezen worden, bovendien zweeg ze al sinds 1988 - maar ze stond voor iets waarvan men zich kan afvragen of het nu nog zo door iemand vertegenwoordigd wordt, althans in poëzie, hardop dus, zichtbaar, leesbaar. Dat 'iets', waarvoor ze zelf ruim voldoende woorden had, kan misschien kort aangeduid worden door deze strofe: “Langzaam opent zich het inzicht/ dat geen mensenkind kan weten/ waar de herkomst van het vers ligt”.

Ida Gerhardt belijdt steeds weer dat zij 'in aanvang' niets weet, het hoofd moet buigen, en dat ook wij, want er is voor de lezer beslist geen ontsnappen aan bij Gerhardt, onwetend zijn en in raadselen zien. Dat poëzie, uiteindelijk, of misschien juist in den beginne, soms lijkt dat hetzelfde, niet van de dichter is. Zij neemt het woord inspiratie, inblazing, nog letterlijk en hoewel die hoge opdracht van haar, dat steeds maar weer naar boven wijzen bij elk gedicht, ook soms tamelijk irritant is, is er ook iets moois in het zo per se niet-aanmatigend willen zijn. Iets dat sterk tegengesteld is aan het alles op eigen rekening schrijven, aan het zelf verbouwen van de hele wereld en elkaar. Er is, iedereen die een beetje om zich heen kijkt zal dat moeten toegeven, nu eenmaal ontzaglijk veel wat wij in het geheel niet in de hand hebben en ook voor wie niet gelooft in een scheppende of besturende instantie is het goed om daar af en toe bij stil te staan.

Gerhardt vertegenwoordigt liefde voor de wereld in de meest karige, onuitbundige vorm die zich denken laat - er wordt in haar poëzie niets gevierd. Maar het geluk dat haar overvalt als ze de sporen van duiven op een weg ziet, of schoolkinderen op weg naar school die haar voorkomen als een levend beeld van het fries van het Parthenon, is hevig en ingetogen tegelijk:

Ik ben, ook zelf een poldermens het tot op heden niet vergeten wat ik te zeggen nauw vermag: die winderige lentedag dat ik het fries van Phidias dat ik The Elgin Marbles zag.

Kun je iemand benijden, tot voorbeeld stellen zelfs, die zo zwaar leeft, die het zichzelf zo ongemakkelijk maakt, die zichzelf en anderen almaar strenge scherpe vragen stelt, die ooit in wanhoop schreef: “Mijn hart trekt langzaam dicht/ in grijze mist en regen./ Er zijn tot u geen wegen,/ tot u”. Wat is daaraan te benijden? Blijkbaar kan dat toch. Om de gevoeligheid, om de kracht. Om de wil en het vermogen alles steeds weer tot klassieke verzen om te smeden. En vooral omdat Gerhardt er blijk van geeft, bij alle menselijke wankelmoedigheid, uiteindelijk niet te wankelen, maar trouw te zijn aan dat waarin ze geloofde, hoe klein en zelfs onzichtbaar dat soms ook was.

Op een of andere manier voelt het alsof de wereld alleen maar beter kan worden van de snijdende verzen van Gerhardt, die “ongenaakbaar, met zwijgend gezag,/ mij doen weten dat ik níets weet.” Zij is een roep tegen gemakzucht. Zo'n roep moet af en toe klinken, zelfs als de roepende er niet meer is.