'Geen verband mijnongelukken'

DEN HAAG, 26 AUG. Het ministerie van Defensie houdt vol dat twee ongevallen in 1983 en 1984 met hetzelfde type mortiermijn een verschillende oorzaak hadden. Ook ontkent het ministerie zijn bedrijfsmaatschappelijk werker F. Spijkers te hebben 'gepsychiatriseerd' om van hem af te komen.

Dit blijkt uit antwoorden van minister Voorhoeve (Defensie) op Kamervragen. Spijkers beweert dat beide ongevallen dezelfde oorzaak hadden, namelijk een constructiefout in de betreffende mijn.

Volgens de minister was de oorzaak van het eerste ongeval, waarbij acht militairen omkwamen, dat een instructiemijn was verwisseld met een scherpe mijn. De oorzaak van het tweede ongeval, waarbij technisch specialist R. Ovaa om het leven kwam, was dat geen maatregelen waren genomen na een rapportage in 1970 over de onbetrouwbaarheid van de mijn, aldus Voorhoeve eerder deze maand in een brief aan de weduwe van Ovaa. Defensie erkende begin 1984 de aansprakelijkheid voor het eerste ongeval, in maart dit jaar die voor het tweede ongeval.

Voorhoeve neemt “nadrukkelijk afstand” van “de beschuldiging dat Defensie Spijkers geestesziek zou hebben willen verklaren”. De Rijksbedrijfsgeneeskundige dienst (RBB) schreef Spijkers onder meer “paranoïde wanen” toe. Volgens psychiaters die hem onderzochten mankeerde hij echter niets. Spijkers raakte bij de zaak betrokken toen hij als maatschappelijk werker werd toegewezen aan de weduwe van Ovaa.

Gisteren heeft Spijkers aangifte gedaan wegens valsheid in geschrifte tegen de directeur-generaal personeel van Defensie, W.J.M. Bunnik. Volgens Spijkers en zijn advocaat heeft Bunnik schriftelijk verslag gedaan aan de landsadvocaat van een ontmoeting tussen hem, staatssecretaris Gmelich Meijling (Defensie), het Eerste-Kamerlid Glastra van Loon en J.J. Vis (Raad van State) die nooit heeft plaatsgehad. Glastra van Loon en Vis hebben dat bevestigd. In het gesprek zou zijn gesproken over een schadevergoeding.

Spijkers' ontslagzaak zaak loopt al jaren. Hij eist “morele en juridische rehabilitatie”. Voorhoeve schrijft bereid te zijn tot “excuus en genoegdoening”.