Dierentuinen op drift: Diergaarde Blijdorp; Rotterdamse Disney

Net als andere Nederlandse dierentuinen leed het Rotterdamse Blijdorp lange tijd een kwijnend bestaan. Eind jaren tachtig kwam de ommekeer. Met een voortvarendheid waar de stad om bekend schijnt te staan werd er gepland, gefinancierd en gebouwd. Het jaarlijkse bezoekersaantal is sindsdien verdubbeld. Vijfde deel van een serie over de harde strijd om het dierentuinbestaan.

'Nico! Nico! Pfffiiet!' Met roepen en fluiten probeert Ton Dorresteyn de aandacht te trekken van een Indische pantserneushoorn, en zowaar: het prehistorisch ogende dier heft even de kop op om dan weer voort te sjokken in het voor hem gereserveerde deel van het tropische bos Taman Indah. “Als je zo'n beest nog in het wild wil zien, dan moet je lang zoeken”, bezweert de Blijdorp-directeur. “Vanwege hun hoorns, die vermalen worden tot een in het Verre Oosten geliefde aphrodisiac, zijn ze zo intensief bejaagd dat ze vrijwel volledig zijn uitgestorven. Alleen in enkele reservaten aan de voet van de Himalaya komen ze nog voor en daarom is het typisch zo'n dier dat in onze huidige diergaarde helemaal op z'n plek is.”

Bouwvakkers en tuinlieden zijn op meerdere plaatsen in Blijdorp bezig de sinds 1857 bestaande dierentuin een geheel nieuw aanzien te geven en in continenten op te delen. Azië is bijna gereed. Zo is al voorzien in een leefgebied met bomen en rotsen voor Siberische Amoer-panters, een Mongoolse steppe met kamelen en Przewalskipaarden, een Indisch moeras met watervogels, een Chinese sfeertuin met kuifherten, een grot met vrij rondfladderende vleermuizen en een nagebouwde Cambodjaanse tempelruïne die van binnen is ingericht als een regenwoud annex binnenverblijf voor Indische olifanten, tijgerpythons en in boomtoppen levende bladapen. In aanleg is nog een gebied dat 'Aziatische Bosrand' is gedoopt en waarin vanaf eind 1997 zeldzame runderen als anoa's (dwergbuffels) zullen huizen, temidden van decorstukken als een Maleisisch 'longhouse'. Kroon op het werk in het Aziatische deel van Blijdorp zal echter de bouw zijn van een op de Himalaya geënt toendralandschap, compleet met een hoog boven de diergaarde uitstekende bergketen, maar daarvan is de opening pas voorzien tegen het jaar 2000, want eerst heeft de Stichting Koninklijke Rotterdamse Diergaarde nog andere prioriteiten.

Er is geen plek in Blijdorp waar alles bij het oude zal blijven. Voor een totaalbedrag van 85 miljoen gulden zal er geïnvesteerd worden. Even is er - door de gemeente - zelfs over gedacht de midden in de stad gelegen dierentuin totaal te ontmantelen en op het Brienenoordeiland opnieuw in te richten, wat dan de tweede verhuizing in het 140-jarige bestaan zou hebben betekend.

De eerste Rotterdamse diergaarde was aanvankelijk niet meer dan een vogeltuintje met waterkom, in 1855 aangelegd door de spoorwegbeambten G.M. van den Bergh en F. van der Valk. Twee jaar later werd met hulp van de stationschef S.J. Roosdorp en enkele vermogende Rotterdammers (hoofdzakelijk havenbaronnen als Willem Ruys en Hendrik Veder) het grondgebied langs de lijn van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij uitgebreid tot 5 hectare, wat destijds een investering van 3 ton vergde. De reders onder de geldschieters zorgden ook voor een deel van de levende have: met eigen schepen lieten zij wilde dieren uit alle delen van de wereld aanvoeren, alsmede eieren van zijdewurmen, tropische planten voor de kas en kano's uit de Stille Zuidzee om in het reptielenhuis als ornament te dienen.

Op 18 mei 1857 ging de vernieuwde tuin onder leiding van de voormalige leeuwentemmer Henri Martin open, aanvankelijk uitsluitend voor leden die in staat waren een tientje per jaar ofwel twee daglonen van een arbeider te betalen. Tientallen jaren fungeerde het door de fameuze Haarlemse tuinarchitecten Zocher aangelegde dierenpark als een Rotterdamse buitensociëteit, intensief door de elite gebruikt om er onder elkaar te flaneren, te genieten van concerten, vuurwerken en er en passant zaken te doen. Eénmaal per jaar kregen alle Rotterdamse weeskinderen vrij entree. En gedurende enkele dagen per jaar mochten leden van 'den Werkenden Stand' er voor een kwartje per persoon binnen.

De diergaarde werd pas een echte volkstuin nadat de gemeente Rotterdam in de jaren dertig van deze eeuw het grondgebied had opgeëist voor stadsuitbreiding en de polder Blijdorp als nieuwe vestigingsplaats had aangewezen. Aldaar werd onder leiding van architect S. van Ravesteyn vanaf het voorjaar van 1939 begonnen met de aanleg van dag- en nachtverblijven, een wintertuin (de Rivièrahal) en andere bouwwerken. Bij het bombardement dat op 14 mei 1940 bijna geheel Rotterdam verwoestte werd zowel de bouwput als de nog niet ontmantelde oude diergaarde getroffen, maar toch kon op 10 december van datzelfde jaar het eerste deel van het nieuwe Blijdorp geopend worden en bij de bevrijding in 1945 was het terrein van 17 hectare geheel ingericht. Nu, ruim een halve eeuw later, is het opnieuw bouwtijd: pas tegen het jaar 2005 denken bestuur en directie van de Stichting Koninklijke Rotterdamse Diergaarde de realisatie van hun masterplan afgerond te hebben.

Bij zijn aanstelling tot algemeen directeur in 1988 wist Ton Dorresteyn dat hij leiding moest gaan geven aan vernieuwingen, maar dat deze zulke vormen zouden aannemen had hij nooit durven dromen. Zijn piepkleine werkkamer ligt vol bouwtekeningen, geringbande beleidsnota's en financiële meerjarenplanningen. Nog steeds zegt hij zich te kunnen uitleven als de bioloog die hij van huis uit is en niet te lijden onder de werkdruk, integendeel.

Goedlachs vertelt hij zijn eigen voorgeschiedenis: “Mijn vader was slager en had al een speciale band met dieren. Als jongetje zwom ik in Maarssen tussen de wilde otters en liep ik uren door de natuur. Een leraar biologie op de hbs heeft mij warm gemaakt om iets met dieren en natuurbescherming te gaan doen, en heeft nog vier andere leerlingen uit mijn klas zover gekregen.” Na zijn studie kwam Dorresteyn terecht bij Staatsbosbeheer, op het laatst als regionaal directeur voor alle natuurrreservaten en boswachterijen van Staatsbosbeheer in Gelderland, totdat hij in de krant een advertentie las waarin een algemeen directeur voor Blijdorp werd gevraagd: “Mijn vrouw zei: 'Als je daar op solliciteert kun je je later niet verwijten dat je nooit geprobeerd hebt directeur van een dierentuin te worden.' Tot mijn eigen verbazing werd ik nog aangenomen ook. Mijn afstudeeronderwerpen hadden al iets te maken met bedreigde diersoorten en inteelt. En ook had ik al jong een tic voor dierentuinen; als jongetje fietste ik geregeld naar Artis. Bovendien had ik in de loop der jaren schik gekregen in managen. Kortom: beter had ik niet terecht kunnen komen.”

Er làg in 1988 al een concept voor een ingrijpende vernieuwing van de diergaarde. Blijdorp stond toen voor gigantische problemen. Voor de buitenwereld hield de directie de schijn op van wel 900.000 betalende bezoekers; in werkelijkheid was het bezoekersaantal sinds de jaren zestig gedaald van één miljoen naar 650.000. Er was enorm veel achterstallig onderhoud, veel lekkages, veel scheuren in het beton; veel verblijven beantwoordden niet meer aan moderne dierenhuisvestingseisen. “Het concept dat er lag”, vertelt Dorresteyn, “hield in dat Blijdorp moest gaan werken aan het tonen van dieren in hun natuurlijke omgeving, op zich niets revolutionairs, althans een gemeenplaats waarmee je een heleboel kanten op kunt. In de loop der jaren sinds 1988 zijn we dat concept nader gaan uitwerken en intussen is het bij wijze van spreken 87 keer bijgesteld, maar nu hebben we dan ook een masterplan op tafel liggen volgens hetwelk deze diergaarde helemaal ondersteboven wordt gegooid, heringericht en uitgebreid.” Alleen het uitgangspunt van het eerste concept is overeind gebleven, namelijk het creëren van natuurlijke omgevingen en dat krijgt nu vorm door Blijdorp om te toveren in een wereld in het klein. Biotopen van alle continenten, inclusief Oceanië, zullen hier een plaats krijgen, zodat je door de tuin lopend als het ware een wereldreis kunt maken, zowel over land als onder zee. En wat verder voorop staat is dat Blijdorp in de verschillende werelddelen hoofdzakelijk bedreigde dier- en trouwens ook plantensoorten willen laten zien, “van de Aziatische olifant tot de witte Balinese spreeuw, waarvan er nog maar zo'n 30 in het wild leven.”

Nog een speerpunt in het beleid is dat mensen in het vernieuwe Blijdorp “iets indringends” moeten kunnen beleven en wat dat betreft hebben Dorresteyn c.s. naar eigen zeggen geleerd van de firma Disney, “in die zin dat ze daar heel goed zijn in het onderdompelen van mensen in een ervaring”. Uiteraard haast Dorresteyn zich te zeggen: “Het moet hier geen pretpark worden, dus als ik de Disney-touch even naar deze diergaarde mag vertalen: vanaf het jaar 2001 willen we op ons Afrikaanse continent bedreigde dieren laten zien zoals ze in de Sahara leven. Dat wordt uiteraard een overdekte attractie met veel zand, maar ook een waar je keel wordt dichtgeschroeid door de hitte, zodat als je weer buiten komt je denkt: pff, blij dat ik niet onder zulke omstandigheden hoef te leven.”

Nog een voorbeeld van de Disney-touch in Blijdorp is de enkele jaren geleden geopende vleermuizengrot: “Wij zijn de eersten die het op deze manier zijn gaan doen. Je krijgt de vleermuizen niet vanachter een ruit te zien zoals meestal in nachtdierenverblijven gebeurt, nee bij ons belééf je iets, kunnen ze bij wijze van spreken op je hoofd schijten en onder je oksels doorvliegen. Dat geeft de mensen een gevoel van sensatie. Op die manier blijft er iets hangen van de manier waarop die beesten in de vrije natuur leven, en dat is wat we ook met onze andere attracties willen bereiken.” (Sinds enkele weken is de vleermuizengrot voor publiek gesloten wegens bezorgdheid bij het publiek over hondsdolheid die de vleermuizen mogelijk zouden kunnen verspreiden.)

Het voert te ver om alle Blijdorpplannen per continent na te lopen, al mag het Oceanium - veruit de grootste attractie in wording - niet ongenoemd blijven. Hart van dit watercontinent, dat 63 van de voor uitbreiding beschikbare 85 miljoen gulden zal opslokken, wordt een gebouw van 150 bij 130 meter, drie verdiepingen hoog, waarin het onderwaterleven van alle wereldzeeën wordt nagebootst. Er zullen niet alleen aquaria komen die ruim genoeg zijn om hele scholen haaien, makrelen en koraalvissen te huisvesten, maar ook binnen- en buitenruimten met dieren die in kuststreken leven. Eind 1999 zal de eerste fase van het Oceanium geopend worden en daarna wordt het in een paar fases afgebouwd totdat in het jaar 2005 het masterplan volledig gerealiseerd zal zijn.

Het huidige grondgebied van Blijdorp (17 hectare) is te klein om er een miniwereld van te maken en daarom heeft de diergaarde van de gemeente er 11 hectare bij gekocht, bestaande uit een aangrenzend complex volkstuinen, sportvelden en een deel van het Roel Langerakpark. Een spoorlijn scheidt het oude deel van de diergaarde van het nieuwe; via een tunnel zal een verbinding worden gelegd.

Een financiële commissie van vrijwilligers, gevormd door accountants en financiële directeuren van bedrijven als Unilever en Shell, hebben de investeringsplannen van Dorresteyn c.s. tegen het licht gehouden en van commentaar voorzien. “Heel nuchter hebben deze heren gekeken naar zaken als wat gaat dat allemaal kosten, wat zijn de verwachtingen qua bezoekersaantallen en andere inkomstenbronnen, en zo voort”, zo vertelt Dorresteyn. “En daar kwam uit dat onze aannames realistisch leken, mits we van de gemeente de garantie kregen dat de jaarlijkse subsidie van 8,5 miljoen gulden minimaal tot het jaar 2005 zou doorlopen. Inmiddels heeft de gemeente zich zelfs tot het jaar 2015 voor dat bedrag garant verklaard en ons bovendien een gemeentegarantie gegeven voor leningen, wat procenten aan rente scheelt. Alles is gegaan op de typisch Rotterdamse manier van niet lullen maar poetsen. Wat dat betreft ben ik blij dat ik niet in de schoenen van mijn collega's van Artis sta, want daar kost het jaren om van de gemeente ja of nee te krijgen en uiteindelijk is het daar dan ook nog vaak nee.”

Behalve uit eigen middelen, geleend geld en gemeentelijke subsidie worden de investeringen van 85 miljoen hoofdzakelijk gefinancierd uit een subsidie van 13 miljoen gulden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, uit bijdragen van het VSB Fonds, de Vereniging Vrienden van Blijdorp en de ruim honderd leden van een door Blijdorp gevormde 'Zakenkring'.

“Het idee voor die Zakenkring heb ik gepikt van mijn collega in Kopenhagen”, vertelt Dorresteyn eerlijk. “Grote en kleine bedrijven kunnen er lid van worden en betalen ons jaarlijks 1500 gulden contributie. Op zichzelf levert ons dat op jaarbasis niet meer op dan 150.000 gulden, maar het aardige is dat we via die sinds 1992 bestaande Zakenkring intussen allerlei topmanagers hebben leren kennen die bereid zijn gebleken ons royaal te steunen met sponsorgelden en hulp in natura. Zo heeft een van hen - Nelcon, een fabrikant van gigantische hijsinstallaties - voor ons gratis een installatie ontwikkeld waarmee we onze twee mannetjesolifanten kunnen ophijsen en klem zetten als die bullen bronstig zijn en vreselijk gevaarlijk worden. Daar zijn we enorm mee geholpen en voor zo'n bedrijf is het aardig dat ze nu in Blijdorp aan relaties kunnen laten zien wat ze allemaal nog meer kunnen behalve haveninstallaties bouwen.”

Andere bedrijven betalen (in ruil voor naamvermelding en rondleidingen achter de schermen) mee aan dierenverblijven en aan de verzorging van bepaalde dieren. Zo legde deurwaarderskantoor Van Es geld op tafel voor de verzorging van dwergaapjes; ABN Amro leverde een bijdrage voor een zeeotterverblijf. “Aan sponsoring van dieren doen we hier prinicpieel niet”, aldus Dorresteyn. “Dat is een spijkerhard uitgangspunt. Al zou een bedrijf als Shell 3 miljoen willen geven om welk dier dan ook te sponsoren, dan is het nee. Punt. Maar stel dat we dat bedrag zouden krijgen om een grote Shellschelp op het dak van ons toekomstige Oceaniumgebouw te plaatsen, dan valt daarover te praten, al zou ik er meer voor zijn de nieuwe attractie Shell-Ocianium te noemen in plaats van die rood-gele schelp op het dak te zetten.” Uitzonderingen op de regels blijken bij Blijdorp echter mogelijk, want Iglo-Ola (Unilever) heeft twee jonge ijsberen 'geadopteerd', Winner en Taco genoemd, naar twee nieuwe Ola-ijsjes. Bij de berenkuil staat een opvallend bord met het logo van de sponsor. Volgens Dorresteyn mag je in dit geval echter niet van adoptie door de sponsor spreken: “Iglo-Ola betaalt alleen voor de namen. De dieren blijven onder onze verantwoordelijkheid.”

Op jaarbasis haalt Blijdorp nu circa driekwart miljoen gulden aan sponsorgelden binnen en Dorresteyn verwacht dat dat nog veel meer zal worden: “De bedrijven verdringen zich aan onze poort om mee te doen.” Ook over de bezoekerscijfers heeft de directeur van Blijdorp niet te klagen. Sinds de eerste veranderingen zijn doorgevoerd, en mede dankzij attracties als Taman Indah en de vleermuizengrot, is het aantal bezoekers binnen tien jaar gestegen van 650.000 naar 1,2 miljoen. “Daaruit concludeer ik dat onze vernieuwingen bij het publiek zijn aangeslagen”, zegt Dorresteyn. “En ook de dieren zijn erop vooruitgegaan. In hun nieuwe verblijven voelen ze zich zò senang dat er permanent jongen worden geboren. We zijn begonnen met 300 vleermuizen en dat zijn er nu al 3000, bij ons pantserneushoornpaar is een jong op komst en wat de Aziatische olifanten betreft behoren wij in de dierentuinwereld tot de fokkampioenen. Hoe meer jongen, hoe meer bezoek, want niets is zo vertederend als jong leven. Wat denkt u dat de geboorte van een ijsbeertje trekt? Honderduizend bezoekers extra, dat wil zeggen zo'n twee miljoen gulden aan de kassa!”