Boijmans exposeert Paul Beckmans meubelsculpturen; Een timmerman die hunkert naar liefde

De Schiedamse kunstenaar Paul Beckman maakt meubels als sculpturen. “Ja, dat praktische zit er ingebakken”, zegt hij. Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam stelt zijn werk nu op wisselende presentaties ten toon.

Kamerschermen (t/m 5 okt.), India (11 okt. t/m 23 nov.), Console tafels (29 nov. t/m 11 jan), en een slaapkamer (17 jan t/m 8 mrt). Na afloop van deze presentaties verschijnt een catalogus.

SCHIEDAM, 26 AUG. Na het douchen tekende Paul Beckman eens met zijn vinger een opstijgend verkeersvliegtuig op een beslagen ruit. Hij maakte er meteen een foto van. Afgedrukt op de uitnodigingskaart van zijn eerste tentoonstelling - in 1979 bij Galerie 't Venster in Rotterdam - had hij er zo'n succes mee dat hij op aanraden van galeriehouder Gosse Oosterhof in een kleine oplage vergrotingen afdrukte.

Een van die afdrukken hangt nu in een hopeloos scheefgezakt pand in Schiedam. Beckman woont er al vijfentwintig jaar, maar binnenkort wordt het afgebroken. Wegens een lekkage liggen vele vierkante meters dia's en negatieven op de vloer, om te drogen. Zijn onvermijdelijke vertrek dwingt hem alleen nog spullen te bewaren waaraan hij gehecht is: een schilderij met ruitjespatroon van stadsgenoot Daan van Golden, een collage van jeugdvriend Joop Schafthuizen en een proefdruk van een tegeltje met een handgeschreven spreuk van Gerard Reve: 'Er is niets tegen geoudehoer zolang als er maar Gods zegen op rust'.

Beckman nam in 1988 als enige Nederlander, tussen kunstenaars en architecten als Daniel Buren, Coop Himmelblau en Aldo Rossi, deel aan 'Beelden in de stad' in Rotterdam. Zijn kleurrijke, sierlijk gevouwen stalen beeldengroep, afgeleid van de Japanse papiervouwkunst, lag lange tijd in het grasveld bij het Kruisplein tegenover het Centraal Station. Museum Boijmans Van Beuningen toont nu op vijf tentoonstellingen vooral zijn meubelsculpturen. Ze komen uit het bezit van particulieren en bedrijven en zijn veelal niet eerder publiekelijk te zien geweest; zoals de roze babycommode 'Lakshmi, godin van geluk en rijkdom' en een witte vergadertafel voor uitgeverij Veen.

Zowel Beckmans fotowerken, meubelsculpturen als objecten dragen een persoonlijk verhaal in zich, verbeeld in een vormentaal die voortkomt uit een - Europese - Popart-traditie. Niet de massacultuur is aanleiding om tot beelden te komen, maar eerder de romantiek van het dagelijkse leven. In die zin is hij een geestverwant van Daan van Golden. Zelf vindt Beckman dat hij nergens bij in te delen valt. Als er iets is wat hij probeert uit te drukken, dan is het 'een hunkering naar liefde'.

Beckman, 51 jaar oud, komt uit een streng katholiek gezin met twaalf kinderen. Zijn vader verkocht sloophout en was organist in een kleine kerk. Hij behoorde nog net tot 'de armoedzaaiersgeneratie': jongens naar de ambachtsschool, meisjes naar de huishoudschool. “Van de ambachtsschool werd ik al snel afgetrapt. Ze wisten geen raad met me. Daarna heb ik wat gescharreld en het heeft vrij lang geduurd voordat ik eenmaal op gang kwam.

“De interesse in kunst was er al op de lagere school. Ik heb altijd graag getekend en ik herinner me dat we een keer op schoolreisje naar Museum Kröller-Müller gingen en dat daar een houten beeld van een naakte vrouw stond. Toen wist ik: dat wil ik ook later. Maar tegelijkertijd dacht ik: dat kan ik nooit, technisch gezien dan.”

Beckman begon zijn loopbaan als timmerman in een meubelfabriek. En daar ontmoette hij mensen van de oude stempel, die nog technieken uit de Gouden Eeuw kenden. “Ik heb veel van ze geleerd, zoals inlegwerk en politoeren.“Ik heb altijd praktisch gewerkt, maar ik wilde ook beelden maken. Toen iemand eens vroeg of ik een werktafel wilde ontwerpen, iets leukers dan twee schragen en een blad, ben ik aan meubelsculpturen begonnen. Ik had al een hemelbed voor een vriendin ontworpen en via haar kwamen ook anderen op me af die iets van me wilden. Ik heb er steeds meer lol in gekregen.”

Voor uitgeverij Veen, gevestigd in een monumentaal pand aan de Amsterdamse Prinsengracht, ontwierp Beckman een vergadertafel met tien stoelen. De vergaderruimte gebruikte hij als bron van inspiratie. De vormen van de lambriseringen en de plafondschildering zijn terug te vinden. In de gegritstraalde glasplaat heeft hij cirkeltjes gemaakt die rechtstreeks naar de engeltjes op het plafond verwijzen: “Ze zeggen toch weleens als het regent dat de engeltjes dan pissen? Vandaar die rondjes.”

Beckman vindt het vervelend dat hij steeds weer iets anders wil. Een kunstschilder ontwikkelt een herkenbare stijl, maar als hijzelf een tafel bedenkt, dan moet de volgende weer volkomen anders. Om ideeën op te doen gaat hij soms naar het Rijksmuseum in Amsterdam. “Dan neem ik alleen de Aziatische afdeling. Dat is het mooie van de Museumjaarkaart. Door mijn zuinigheid ben ik geneigd alles te gaan bekijken, maar met zo'n kaart hoeft dat niet meer. Die zuinigheid blijft me trouwens achtervolgen. Voor die vergadertafel van Veen had ik makkelijk één stoel kunnen maken en de andere negen kunnen uitbesteden, maar ja, je steekt toch het liefst alle poen in je eigen zak met als gevolg dat je dan weer staat te zweten en te schuren.”

Aan inspraak heeft Beckman een broertje dood, maar door de reputatie die hij heeft weten op te bouwen, krijgt hij steeds meer de vrije hand. “Als iemand iets met zwart formica wil dan neem ik tegenwoordig twee stalen mee in plaats van twintig. En dan doe ik net alsof er maar twee soorten zijn, anders kiezen ze een lelijke uit.”

Soms heeft Beckman er weleens genoeg van om voortdurend met functionele dingen bezig te zijn. “Dat praktische zit er in gebakken. Een terreur, die me steeds meer belemmert. Eigenlijk heb ik altijd het liefst objecten willen maken, geen functionele dingen dus. En soms, als ik in een impassse zit om het maar chic uit te drukken, dan denk ik in het geheim weleens aan wandobjecten. Ik schrijf wat op, ik schets een beetje, maar ik vind het bijna nooit goed genoeg wat ik bedacht heb.

“Ik voel me het lekkerste als een werkstuk op gang komt, als het moeizame begin er is. Dan weet je dat het wat gaat worden. Als ik dan een hele dag gewerkt heb, drink ik in de kroeg wat biertjes, en ga dan vervolgens hierboven voor mijn werkstuk zitten. Muziekje erbij, asbakje erbij, schetsblokje erbij en maar staren. Er komt dan niet veel meer uit, moet ik je eerlijk zeggen, maar ik voel me heel gelukkig op zo'n moment.”

Ten afscheid gaat Beckman nog even voor een wandobject staan. Het is gemaakt van twee lijnen die zijn opgebouwd uit blauwe vlindertjes, gevat in een rij aan elkaar geplakte plastic doosjes. De twee licht gekromde lijnen doen sterk denken aan een vrouwentorso. “Kijk”, zegt hij terwijl hij een van de lijnen een beetje opzij schuift. “Zo hang je 'm op als je meer van mollige vrouwen houdt.”