Vlammende klaprozen

Niet alleen om zich vlug en voordelig door de stad te kunnen verplaatsen, maar ook om met mij de vrije natuur in te trekken, had mijn vader een fiets gekocht. Het was een grijsgroene, die, gezien de prijs, meermalen van eigenaar was verwisseld maar zich niettemin nog in deugdelijke staat bevond.

Dankzij dit nuttige vervoermiddel ondernamen we op woensdag- en zaterdagmiddagen, wanneer ik geen school had, en tevens tijdens de zomermaanden omdat we nooit met vakantie gingen, urenlange tochten in de omgeving van Rotterdam en zelfs ver daarbuiten.

In zon en wind, met mijn handen om het zadel en mijn voeten op de steunen aan weerszijden van het achterwiel, zat ik op het kussentje uit mijn poppenwagen op de bagagedrager, terwijl mijn vader fluitend en mij geestdriftig op de schoonheid van het landschap wijzend langs de Rotte naar het Rottemerengebied reed, langs het Paadje van Duizendtreden (met het spannende gevaar van de onbewaakte overweg) naar Hillegersberg, langs de Maas naar het Sterrebos bij Schiedam of door de polder naar Berkel en Rodenrijs. Af en toe onderbraken we de rit om in een weiland uit te rusten, waar mijn vader met een grasspriet tussen zijn tanden en zijn strooien hoed over zijn ogen tussen de boterbloemen lag, die geplukt en met een touwtje samengebonden tot een feestelijke boeket, aan het stuur van de fiets werden gehangen.

Op den duur hadden we onze vaste pleisterplaatsen: de plassen rond Hillegersberg of de overdadig met klaprozen begroeide spoordijk bij Berkel en Rodenrijs, waar mijn vader een praatje met de baanwachter maakte, wiens vrouw ik nooit anders zag dan in bed liggend voor het open raam, terwijl ik op een grote schommel naast de baanwachterswoning op en neer zwaaide tussen vlagen vlammend rode bloemen en hemelsblauwe lucht. In het voorjaar gingen we altijd meitakken plukken in het verlengde van de Schiekade, richting Overschie, waar de zoetgeurende meidoornhagen langs de rails van de verdwenen paardentram tot aan de Melkmarkt in bloei stonden. Teneinde ons ongezien een paar roze en witte bloesemtakken toe te eigenen, kropen we door een opening in de heg, waarachter we ons omzichtig aan de rand van het aangrenzende weiland ophielden, dat jaren later zou worden opgespoten om in een onafzienbare zandvlakte te veranderen, waar tussen de schaarse helmplanten het lijkje van de vermoorde Marietje van Os werd gevonden en het gloednieuwe stadsdeel Blijdorp zou verrijzen.

Door het ongeluk dat we kregen, was het plezier van de tochten er na drie seizoenen volledig af. Het gebeurde op een warme dag in de zomervakantie. Ik had net een schitterend gekleurde tol met een zweep gekregen, waarmee ik op het trottoir van onze straat aan het oefenen was, toen mijn vader met zijn fiets naar buiten kwam en mij voorstelde de hitte van de stad te ontvluchten. Dat betekende dat we ons, zoals we wel meer deden, voorbij de houtzaagmolen van Abraham van Stolk, waar honderden boomstammen in het water dreven, in de berm zouden installeren om onze ontblote voeten in de Schie te laten afkoelen. Mijn tol en zweep mochten mee, en via de Vlaggemankade reden we evenwijdig met de inmiddels uitgebloeide meidoornhagen langs de rechteroever, tot waar de weg bij het naderen van de molen uitkwam op een smal asfaltpad over een dijk.

Hoe weet ik niet meer, maar ik moet zo onhandig met de zweep hebben gemanoeuvreerd dat hij tussen de spaken van het achterwiel kwam. Onze vaart werd abrupt gestuit, zodat mijn vader de macht over het stuur verloor en we met fiets en al de dijk afrolden. Ofschoon het zich allemaal in enkele seconden afspeelde, drong het pas tot mij door toen ik halverwege tussen de wilde rabarberstruiken hing, waarvan de taaie stengels mijn val hadden gebroken. Terwijl ik mij er blindelings aan vastklampte, zochten mijn ogen in paniek mijn vader, die nergens was te zien; wel doemde beneden mij een brede sloot op, waarin hij kon zijn terechtgekomen en misschien wel was verdronken. Verstijfd van schrik besefte ik dat ik om hulp moest roepen, maar er kwam geen geluid uit mijn keel, en op hetzelfde moment keek ik recht in het vreemd bleke gezicht van mijn vader, die mij zonder een woord te zeggen omhoogtrok.

Nog steeds zwijgend zette hij me op het asfaltpaadje neer, waarna hij zich weer langzaam liet zakken en met de fiets en het kussentje van de bagagedrager opnieuw naar boven klom. Het stuur stond scheef en het achterwiel was verbogen, en nog half verdoofd naar de lange worm starend die uit de opengescheurde neus van mijn schoen kroop, kreeg ik een paar driftige klappen voor mijn billen. Het brak in elk geval de spanning, want plotseling barstte ik in tranen uit - niet om de klappen, al was ik nog nooit door mijn vader geslagen, en ook niet om het verlies van de tol en de zweep, maar omdat ik mij ervan bewust werd dat zelfs mijn vader een ongeluk kon krijgen en net als ieder ander kon doodgaan. Overrompeld door deze verbijsterende gedachte, die mij nooit meer helemaal zou loslaten, en met het steeds terugkerende beeld van de sloot in de diepte voor ogen, sukkelde ik beschaamd achter de onverbiddelijke rug van mijn vader aan, die zeulend met de fiets het hele eind naar huis terug moest lopen.