Poëzie en literatuur over ouwelijke pop

Payola, jrg. 1. nr. 1. Uitg. Podium, 120 blz. Prijs ƒ 17,50.

In de stad zie je ze wel eens rondhangen: jongens, in groepjes bij elkaar, gehuld in dezelfde sportkleren, -schoenen en sieraden. Ze hebben allemaal dezelfde geitenkaas-kleur en het is dan ook een merkwaardige ervaring ze te horen praten: deze polderjongens onderhouden zich in een kruising tussen Amsterdams en Surinaams. Ze worden wel wiggers genoemd, white niggers - blanken die het liefst een neger zouden willen zijn. Dat heeft iets stoers, door de kleren, door het machismo, maar ook iets droevigs, want hun ideaal zal altijd onbereikbaar blijven.

Tegen deze achtergrond heeft het iets koddigs om in het eerste nummer van het tijdschrift Payola te lezen dat schrijver Nanne Tepper zich identificeert met gangsta-rappers, zwarte rappers die het gang-leven in Amerika-verheerlijken. Tepper is duidelijk weg van deze muziek, maar het valt hem zwaar zijn voorkeur te verklaren. 'Ik vraag mij vaak af waarom ik zonder al te veel bedenkingen de kunstuiting hiphop verbind met sociologische verschijnselen, terwijl ik mij toch verzekerd leek te hebben van een volkomen desinteresse in welke achtergrond van welk kunstwerk dan ook', verzucht hij al aan het begin van zijn bijdrage. Het wordt allemaal niet veel begrijpelijker als je de teksten leest: Why do I call myself a nigger so quick? / Because I can reach down my drawers and pull out a bigger dick! rapte de overleden Easy E. Of: Nigga's start shit but they dont't start with Bill / 'cause the motherfuckers know they blood gon' spill' (Geto boys). 'Ik beschouw het als opera', schrijft Tepper dan ook maar, maar ik bleef het gevoel houden een het werk van een wetenschapper te lezen die een interessante kangoeroe-kolonoie heeft ontdekt.

Het essay van Tepper is dan ook niet het beste voorbeeld van de koers die Payola, een nieuw 'popliterair' tijdschrift wil gaan varen. De formule van het blad (waarvan de redactie wordt gevormd door Roel Bentz van den Berg, Martin Bril, Pieter Steinz en Joost Zwagerman) is geschoeid op de leest van Hard Gras. Net als dit 'voetbaltijdschrift voor lezers' verklaart de redactie bij monde van Joost Zwagerman, dat Payola geen 'popblad (wil) zijn in de journalistieke betekenis van het woord' en dat het blad er is 'voor de informatieve en persoonlijke essays en, eerst en vooral, voor proza en poëzie over pop.'

Een loffelijk streven, dat bij Hard Gras vaak goed werkt, en het is dan ook jammer dat de redactie in een voor de hand liggende valkuil is getrapt: er hangt iets ouwelijks om Payola. Dat ligt in de eerste plaats aan de vormgeving, die sterk lijkt op die van Muziekkrant Oor in 1975, maar ook aan de onderwerpen. Pièce de resistance is bijvoorbeeld een bijna dertig pagina's tellend verhaal van Martin Bril over Elvis Presley's periode in het Duitse Bad Neuheim. Een mooi verhaal weliswaar, met een spannend einde, dat alleen wat merkwaardig leest doordat het als reportage staat aangekondigd. En met Elvis houdt bovendien de voorkeur voor oude of dode onderwerpen niet op: Roel Bentz van den Berg schrijft over Del Shannon, Joost Niemöller over de steelguitar en Ronald Giphart en Bert Natter komen met een veel te melig stuk over de jaren-tachtig band XTC.

Eenzelfde soort nostalgie spreekt ook uit de rubrieken. Voor 'Naar de letter' vertaalden Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes de tekst van 'I am the Walrus' van The Beatles ('Ik ben de ijsman, zij zijn de ijsman - ik ben de walnoot'), in 'Reprise' wordt de 'klassiek geworden' After the Goldrush-recensie herdrukt die Jan Donkers in 1970 in Aloha publiceerde. Zelf neemt Donkers afstand van zijn bijdrage ('Laat ik er geen twijfel over bestaan dat ik degene die 27 jaar geleden deze recensie schreef een aanstellerig, om aandacht bedelend en uiteindelijk nogal verachtelijk individu vind.') en daarin heeft hij groot gelijk. Dat de redactie doorzet komt vast doordat het stuk zo'n mooie samenvatting van dit eerste nummer vormt. De sfeer van Payola is die van een oude Neil Young-plaat: mooi, melancholiek, maar ook nogal belegen. Er wordt soms goed geschreven, maar de redactie mag wel iets meer beseffen dat popmuziek ook leeft in het hier en nu - dat gevoel haal je niet binnen met een essay over gangsta-rap en het zoveelste verhaal van Serge van Duijnhoven over de house-cultuur.

De enige die zich goed aan de retro-sfeer van Payola weet te onttrekken is P.F. Thomése. Ook zijn stuk barst van de melancholie, maar is zo goed geschreven dat je het achter elkaar uitleest, vanaf de eerste zinnen: 'Mijn reisgenoot J. Kessels bezit het adres van de Amerikaanse filmster Mickey Rourke. Je zou denken dat het iets bijzonders is, maar als je het hebt, weet je niet wat je er mee moet.' Daarna blijkt het stuk over Thomése's ontmoeting met soul-legende Solomon Burke te gaan, een man 'nog dikker dan Elvis en Idi Amin bij elkaar'. Na een stampend en zwetend concert krijgt de schrijver toegang tot de kleedkamer waar 'the King of Rock and Soul' hem na een aai over zijn krullenbol toevoegt: 'This guy must be black somewhere' - toch nog één witte neger in Payola.