Onfrisse strijd over joodse effecten

Deze zomer is een speciale commissie geïnstalleerd om te onderzoeken hoe de overheid en financiële instellingen uitkeringen hebben afgehandeld aan joden (danwel nabestaanden), die in de oorlog van hun bezittingen zijn beroofd. Harry van Wijnen vindt dat deze commissie-Scholten ook moet nagaan hoe de Amsterdamse beurs en het kabinet-Schermerhorn zijn omgesprongen met de joodse effectenmakelaars en het joodse effectenbezit.

De verwijdering van de joodse leden van de Amsterdamse Effectenbeurs diende zich in maart 1941 in de vorm van een Anordnung aan: de Reichskommissar für die besetzten Niederländischen Gebiete, dr. A. Seyss-Inquart, verklaarde de Beurs voor joodse commissionairs en joodse beursbedienden tot verboden terrein.

Het bestuur van de beurs reageerde lauw, alsof het om een niet al te hinderlijke verkeersverordening ging. Het had erger gekund, meende het bestuur, bij monde van C.J. Overhoff, de ondervoorzitter, die korte tijd later mr. A.F. van Hall als voorzitter opvolgde. Overhoff cum suis vonden principieel verzet niet op hun weg liggen, omdat het, naar zij meenden, om een incidentele maatregel ging, die slechts op het beursbezoek, maar niet op het lidmaatschap van hun joodse collega's betrekking had.

Dat bleek een misrekening te zijn, want nog geen half jaar later volgde bij een nieuwe Duitse lastgeving de totale uitsluiting van de joodse beursleden. Het beursbestuur, dat eerder in het jaar al vrijwel geen ruchtbaarheid had gegeven aan het vertrek van zijn twee joodse bestuursleden, hield zich andermaal op de vlakte. Kennelijk voelde het de stemming goed aan, want niemand van de overige beursleden zei er wat van, zodat de Amsterdamse Effectenbeurs geruisloos was geariseerd.

In augustus '41 vaardigden de Duitsers weer een anti-joodse maatregel uit, ditmaal de verordening 'betreffende de behandeling van het joodsche geldelijke vermogen'. De joden werden verplicht al hun geld, cheques, effecten, tegoeden en deposito's bij de bankiersfirma Lippmann, Rosenthal & Co in te leveren. Over wat 'behandeling' betekende maakten weinigen zich nog illusies.

Lippmann, Rosenthal & Co in de Sarphatistraat (afgekort: Liro) was het filiaal van de (onder Duits toezicht gestelde) joodse bankiersfirma in de Nieuwe Spiegelstraat, dat de Duitsers hadden geopend als verzamelpunt voor de verplichte inlevering. Na de oorlog zouden de rechters van de Raad voor het Rechtsherstel (afdeling rechtspraak) Liro officieel betitelen als “die notoire Duitse roofinstelling”. Liro werd als onderdeel van de bank Lippmann, Rosenthal & Co als lid tot de beurs toegelaten, zodat de Duitsers nu ook in de gelegenheid waren de buitgemaakte 'joodse' effecten (zoals deze in de naoorlogse processtukken werden genoemd) te verkopen.

Ofschoon elk aangeboden stuk uit de Liro-collectie uit het geroofde joodse effectenbezit afkomstig was, legde het beursbestuur de handel in Liro-stukken geen strobreed in de weg. Het beriep zich daarbij op formele gronden. Liro was 'immers' een gewoon lid van de beurs en de effecten die het had verhandeld waren 'immers' voorzien geweest van een verklaring van geen bezwaar: “Joodse eigenaar vrijwillig akkoord”.

De verantwoording die beursvoorzitter Overhoff na de oorlog voor de Raad voor het Rechtsherstel van zijn beleid aflegde overtuigde niemand. Dat er van vrijwilligheid geen sprake was geweest, was maar al te goed bekend. En dat de verkoop van de geroofde joodse effecten uiteraard niet ten bate van de joodse eigenaars was - dat wist ook iedereen. Dat alles maakte de conclusie dat de Beurs dus had meegewerkt aan de liquidatie van het joods effectenbezit onontkoombaar.

Volgens de becijferingen van dr. L. de Jong werd tijdens de bezetting in totaal voor tenminste 146 miljoen gulden aan geroofd joods effectenbezit op de Beurs verkocht (deel 12, 'Epiloog', pagina 692). Dat cijfer is nooit betwist, zodat het niet vergoede deel, dat in de strijd om rechtsherstel onuitbetaald is gebleven (de laatste 10 procent die de meeste 'gedepossedeerden' lieten vallen toen zij in 1952 het regeringsaanbod van 90 procent accepteerden) gesteld kan worden op circa 14 miljoen. Zelfs na aftrek van beheerskosten en verrekening van het aan Joods Maatschappelijk Werk uitgekeerde batig saldo (drie miljoen) zou dan altijd nog een interessant tegoed resteren, waarover een assertieve nieuwe generatie erfgenamen met frisse moed nog wel een robbertje zou willen onderhandelen.

De schande die Overhoff cum suis in de jaren 1941-1945 over de Amsterdamse Effectenbeurs hadden afgeroepen, was voor de persoon van de beursvoorzitter nog lang niet uitgeput. In 1950 werd zijn kantoor door De Nederlandsche Bank gedwongen in surcéance te gaan en in datzelfde jaar werd hij getroffen door een nog grotere slag die in één klap zijn invloedrijke positie ruïneerde. In een door cliënten aangespannen strafzaak werd hij ontmaskerd als een malversant die geld van zijn klanten ten eigen bate had gebruikt. Wegens verduistering van rekening-courantgelden werd hij in eerste instantie door de rechtbank veroordeeld tot anderhalf jaar gevangenisstraf en in hoger beroep door het gerechtshof te Amsterdam tot tweeëneenhalf jaar.

De Amsterdamse Beurs was sprakeloos. Nooit had zij een voorzitter gehad wiens invloed op het leven van Nederland zo ver reikte. Overhoff bereikte het hoogtij van zijn politieke invloed in 1946 toen hij het van het kabinet-Schermerhorn gedaan kreeg een voor de beurswereld nadelige wet in overeenstemming met de wensen van de beurs fundamenteel te veranderen.

Het ging om een wetsbesluit, dat door het laatste Londense kabinet-Gerbrandy was uitgevaardigd met het oog op het naoorlogse effectenrechtsherstel. Dat besluit, dat onder zijn Londense naam E 100 in het Staatsblad verscheen, bepaalde dat de “tegenwoordige bezitter” van effecten zijn goede trouw moest bewijzen ten aanzien van al zijn na 9 mei 1940 verkregen effecten. Gemis van goede trouw zou “de verkrijger worden aangerekend”. Deze zou zijn stuk(ken) moeten teruggeven aan de oorspronkelijke eigenaar, maar uiteraard verhaal krijgen op zijn bank of zijn commissionair.

Die bepaling bracht alle effectenhandelaren die tijdens de bezetting in Liro-stukken hadden gehandeld (en wisten waar die vandaan kwamen) in het nauw. Meer dan honderd leden van de Amsterdamse beurs zouden niet het bewijs van goede trouw kunnen leveren en terugvorderingsacties kunnen verwachten waarvan de schade voor hun kantoor niet was te overzien.

Minister Lieftinck, die overal onweersbuien zag, was ervan overtuigd dat toepassing van de Londense rechtsherstelregels op de effectenhandel tijdens de bezetting voor de leden van de Vereniging voor de Effectenhandel fataal zou zijn. Hij voorzag al dat het in de beurswereld faillissementen zou regenen als de gedepossedeerde (joodse) effectenbezitters regresacties zouden instellen.

In de gewijzigde wet, die vier dagen voor de eerste bijeenkomst van het Noodparlement (20 november 1946) werd afgekondigd, waren Lieftinck cum suis volledig overstag gegaan (Besluit Staatsblad F 272). Overstag gegaan voor een tegenspeler die jarenlang de facto failliet was geweest en volgens het arrest van het hof, het aanzien van zijn stand en zijn beroep ernstige en blijvende schade had toegebracht.

De grondgedachte van E 100 was geheel losgelaten en vervangen door het beginsel dat effecten aan toonder, die in “regelmatig beursverkeer” waren gekocht, behoudens tegenbewijs, vermoed werden te goeder trouw te zijn verkregen. De transacties uit de oorlogsjaren waren nu onder “regelmatig beursverkeer” gebracht. Daarmee waren de aankopen van de joodse effecten van Liro witgewassen. De beurs had immuniteit verkregen voor alle beursverkeer tijdens de bezetting.

Die bescherming zou echter geen eeuwig leven beschoren zijn. De totstandkoming van Besluit F 272 was in rechtsgeleerde kringen jarenlang het doelwit van scherpe kritiek gebleven en het wachten was alleen nog op een geschikte gelegenheid om die misstap van Lieftinck cum suis te redresseren. Die gelegenheid liet uiteindelijk nog een aantal jaren op zich wachten, maar toen was de tijd ook rijp om 'de wet van Overhoff' de doodssteek toe te brengen.

De afdeling rechtspraak Amsterdam van de Raad voor het Rechtsherstel hief in mei '52 de immuniteit van de beurs voor het beursverkeer tijdens de oorlog op, onder de 'Londense' motivering dat de commissionairs die tijdens de bezetting hadden gehandeld in Liro-effecten zich niet op onschuld konden beroepen. Wie in geroofde joodse stukken had gehandeld, was te kwader trouw geweest.

Die uitspraak bracht de effectenbeurs opnieuw in rep en roer en leidde de dag na de uitspraak tot een beursstaking, die een volle week zou duren. Het was een wapen dat in de geschiedenis van de beurs nog niet eerder in stelling was gebracht. De regering dreigde zich nog meer te blameren door de beurswereld opnieuw tegemoet te komen en de Raad voor het Rechtsherstel aan banden te leggen, maar lokte nu een massaal rechtsgeleerd protest uit, waarvan Lieftinck en de zijnen niet terug hadden.

De regering zag van haar plannen af en produceerde een vergoedingsregeling die een einde maakte aan de processenmarathon. De beursleden werden gevrijwaard van regresacties en de van hun effecten beroofde joden kregen 90 procent van de waarde van hun effecten uitgekeerd, plus 90 procent van alle na 31 december '41 uitgekeerde dividenden, op voorwaarde dat zij van verdere gerechtelijke stappen zouden afzien.

De regering complimenteerde zichzelf enigszins vergenoegd met het moeizaam bereikte akkoord. Haar aanbod was door alle partijen aanvaard, inderdaad. Maar in de euforie van het ogenblik ontsnapte Lieftinck aan een nader onderzoek van zijn zwakke momenten. Een mooie gelegenheid voor de commissie-Scholten om dat alsnog te doen.