Nieuwe brandhaard in Midden-Afrika; In Congo-Brazzaville vecht men om macht en olie

De bosbrand in Midden-Afrika heeft sinds juni een nieuwe vuurhaard: Congo-Brazzaville. Ooit een marxistische een-partijstaat, nu een democratie, waar de partijen elkaar bevechten met de wapens. Op de achtergrond azen Fransen en Amerikanen op olie.

ROTTERDAM, 25 AUG. Aan de benedenloop van de rivier de Congo is het tij gekeerd. In mei staken overbeladen pontveren en speed-boten met medewerkers en familieleden van de in het nauw gedreven Zaïrese president Mobutu de brede stroom over, van Kinshasa naar Brazzaville, de hoofdstad van buurland Congo. Sinds daar op 5 juni een burgeroorlog uitbrak, hebben naar schatting 30.000 burgers van deze voormalige Franse kolonie de wijk genomen naar de andere oever, de huidige Democratische Republiek Congo.

In Brazzaville, en sinds kort ook in het noorden van het land, bestoken het leger van de verkozen president Pascal Lissouba en de milities van zijn voorganger, generaal Denis Sassou N'Guesso, elkaar met zwaar geschut. Het aantal doden is nog onbekend, want internationale hulporganisaties en buitenlandse verslaggevers zijn eveneens uitgeweken naar de overkant, maar het moet nu al in de duizenden lopen.

De vijandelijkheden braken uit op 5 juni, toen regeringstroepen met pantserwagens M'Pila binnenrukten, een oostelijke stadswijk van Brazzaville, waar Sassou N'Guesso zich met zijn zwaar bewapende militie had verschanst. Volgens Lissouba kwamen zij hen ontwapenen om “een vreedzaam verloop te garanderen” van de presidentsverkiezingen, die in juli zouden worden gehouden. Sassou's mannen openden het vuur, wat Lissouba nu uitlegt als een “poging tot staatsgreep”. Sassou beticht de president ervan een aanleiding te hebben gezocht om de verkiezingen af te gelasten. Dat is inmiddels gebeurd.

De wortels van het Congolese conflict liggen in de crisis van de een-partijstaat en in de onwil van de politieke partijen om de macht te delen. Het conflict is des te venijniger omdat de protagonisten een persoonlijke vete uitvechten en inspelen op regionale en etnische tegenstellingen.

Nadat Congo in 1960 onafhankelijk werd van Frankrijk, ontstonden spanningen tussen het aanvankelijk a-politieke leger en de sterke studenten- en vakbeweging. Langdurige maatschappelijke onrust mondde in 1968 uit in een militaire staatsgreep door de links georiënteerde legerkapitein Marien N'Gouabi. Onder zijn bewind werd de Congolese Arbeiderspartij (PCT) opgericht en werd het land omgedoopt tot Volksrepubliek Congo. De in Frankrijk opgeleide beroepsofficier Sassou N'Guesso is een exponent van de gepolitiseerde strijdkrachten. Lissouba, in de jaren zestig kortstondig premier, was destijds hoogleraar biologie en genetica. Toen N'Gouabi in 1977 werd vermoord, werd Lissouba gearresteerd en door een 'revolutionair tribunaal', waarin Sassou zitting had, ter dood veroordeeld. Die straf werd onder buitenlandse druk omgezet in levenslang. In 1979, toen een PCT-congres Sassou tot president benoemde, werd Lissouba op vrije voeten gesteld, op voorwaarde dat hij zich niet zou inlaten met politiek. De professor werkte jarenlang voor de UNESCO, de organisatie voor onderwijs en cultuur van de Verenigde Naties.

Sassou's Volksrepubliek was een een-partijstaat die een groot deel van de economie onder staatscontrole bracht, maar onderhield uitstekende betrekkingen met Frankrijk. Toen in de jaren zeventig olievelden werden aangeboord voor de kust, werd vrijwel de hele winning toevertrouwd aan Elf Congo, waarin het Franse bedrijf Elf Aquitaine alle aandelen bezit.

Na de val van de Berlijnse Muur maakte Sassou een scherpe draai. Op een buitengewoon congres in 1990 zwoer de PCT het marxisme af en met ingang van 1991 werden meer partijen toegelaten. Het leger kreeg opdracht zijn banden met de PCT te verbreken en zich op te stellen als neutrale behoeder van de democratie. Lissouba keerde terug naar Congo en richtte de Panafrikaanse Unie voor sociale democratie (UPADS) op. Zijn programma: decentralisering van het bestuur en economische liberalisering. Bij de verkiezingen van 1992 werd UPADS de grootste partij en Lissouba versloeg zijn oude vijand Sassou in de stembusslag om het presidentschap. UPADS vormde met andere partijen, waaronder de PCT, een coalitieregering, maar die viel uiteen toen de PCT geen genoegen nam met de toegewezen ministersposten. Dit conflict leidde in 1993 tot gevechten tussen het leger en gewapende milities van de oppositie. Onder bemiddeling van buurland Gabon kwam het tot een schikking, maar hernieuwde verkiezingen in 1993, waarbij UPADS de absolute meerderheid kreeg, werden niet erkend door Sassou N'Guesso. Van de afgesproken integratie van diens militie in het leger is nooit iets terechtgekomen en in juni barstte de bom opnieuw.

In Franstalig Midden-Afrika, dat sinds de genocide in Rwanda op drift is geraakt, maakt men zich grote zorgen. President Omar Bongo van Gabon poogt, met de zegen van de VN, de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) en Frankrijk, te bemiddelen. Tot nu toe tevergeefs. President Kabila van het voormalige Zaïre, die in Parijs wordt gezien als exponent van de anti-Franse krachten in de regio, deed medio augustus een eigen bemiddelingsaanbod en opperde een vredesmacht uit hem bevriende landen als Rwanda, Angola en Oeganda. Hij vond Lissouba aan zijn kant. De president is gekwetst door het uitblijven van hulp uit Frankrijk. Franse paracommando's beperkten zich in juni tot evacuatie van buitenlanders, terwijl Parijs Sassou in 1987 wel militair had gesteund tegen putschistische soldaten.

De speculaties over duistere krachten op de achtergrond zijn niet van de lucht. The Wall Street Journal suggereerde op 25 juni dat Parijs meer verwacht van Sassou dan van Lissouba en verklaart aldus de Franse “non-interventie” in juni. “Parijs”, schreef de krant, “heeft Sassou dertien jaar lang gesteund, terwijl die aan de macht kwam via een militaire staatsgreep en zijn land in marxistische trant leidde. Tegenprestatie was een onberispelijke loyaliteit aan Frankrijk, openlijk misprijzen tegenover alles wat angelsaksisch was en sappige contracten voor Elf”. Lissouba, aldus de WJS, was nog niet verkozen of hij legde, wellicht als revanche, contacten met Amerikaanse ondernemingen. De Amerikaanse krant is van mening dat Sassou, wiens milities zijn uitgerust met Franse wapens, het Elf-monopolie met geen haar zou krenken, “terwijl Lissouba niet verheelt dat hij na een eventuele herverkiezing de contracten van Elf wenst te beëindigen ten gunste van de Amerikanen”.

In Frankrijk ziet men het anders. In een vertrouwelijk rapport, opgesteld door het Instituut voor Hogere Nationale Defensiestudies in Le Chesnay, heet het dat Sassou op 10 april in Parijs heeft gedineerd met twee hoge CIA-functionarissen en hun een “evenwichtiger verdeling” van de olieconcessies heeft beloofd ten gunste van Amerikaanse bedrijven.

Michel Rocard, voorzitter van de commissie ontwikkelingssamenwerking van het Europese parlement, maakte zich onlangs kwaad op de Amerikanen. In Le Monde van 14 augustus schreef hij dat de Verenigde Staten het vredesplan van Bongo en VN-gezant Mohamed Sahnoun, dat onder meer voorzag in een “Euro-Afrikaanse” vredesmacht (Senegalese troepen, Europese financiering) in Congo, bewust hebben laten mislukken, omdat “een en ander niet onder Amerikaanse leiding gebeurde”. Frankrijk heeft Kabila's aanbod van de hand gewezen.

In Pointe-Noire, de Congolese oliehaven aan de Atlantische Oceaan die gespaard is gebleven voor het krijgsgeweld, werden dit weekeinde wapens en vers gerecruteerde militiemannen aan boord gebracht van een transportvliegtuig. Het zijn versterkingen voor het presidentiële kamp. Voor de kust wordt jaarlijks 60 procent van de staatsinkomsten verdiend (ruim een miljard gulden) en die stromen nu rechtstreeks in Lissouba's oorlogskas. Zijn minister van Oliezaken, Benoît Koukébéné, verzekerde vorige week in Parijs: “Sassou krijgt onze olie niet in handen!” De minister was in de Franse hoofdstad om te onderhandelen over de privatisering van Hydro-Congo, het staatsbedrijf dat de Congolese olie afzet op de binnenlandse markt. Behalve Elf gaat ook Shell deelnemen en de minister zoekt nog naar een derde partner. Wellicht in de Verenigde Staten.