Het hoefde niet meer na die teleurstelling

Ik kreeg mijn eerste boog toen ik zes was. Je kunt wel zeggen dat handboogschieten me met de paplepel is ingegoten. Mijn vader was ooit kampioen, ik ben er gewoon ingerold.

Ik was op jonge leeftijd al vrij goed. Op m'n twaalfde, dertiende kwam ik bij het nationale jeugdteam.

Vijf keer werd ik kampioen bij de junioren. In 1983 nam ik deel aan mijn eerste WK bij de grote jongens. Ik werd 27ste, maar voldeed wel aan de limiet voor de Olympische Spelen die een jaar later zouden worden gehouden. Om definitief naar de Spelen te kunnen, moest ik van het Nederlands Olympisch Comité vormbehoud tonen. In januari 1984 werd ik echter ziek. Daardoor kon ik een maand niets doen. Dat kostte kracht, vormbehoud tonen werd lastig. Het laatste toernooi waar ik dat kon doen, was in Duitsland. Daags voor dat toernooi had ik nog een schoolexamen, waardoor ik pas om elf uur 's avonds in Duitsland aankwam. Dat is natuurlijk geen goede voorbereiding. Na twee dagen stond ik tweede, uiteindelijk zakte in naar de tiende, twaalfde plaats.

Ik mocht niet naar de Spelen. Toen ik het nieuws hoorde zakte ik helemaal in elkaar. Letterlijk en figuurlijk. Deelnemen aan de Spelen was een droom geweest. Toen besloot ik een punt achter mijn carrière te zetten. Zeker, ik was nog jong en had misschien de Spelen van vier jaar later kunnen halen. Mensen om me heen zeiden ook: 'Jongen, ga door', maar voor mij hoefde het niet meer.

Ik heb geen spijt van die beslissing. Natuurlijk, soms kriebelt het als ik naar een wedstrijd kijk. Een enkele keer pak ik die boog ook nog weleens, maar puur als hobby. Wedstrijden hoeven voor mij niet meer.