Een schijnbaar gaaf gezicht

Van veel lichaamsonderdelen bestaan kunstof imitaties. In hoeverre benaderen deze het origineel? Over groeiende mogelijkheden en blijvende beperkingen van kunstmatige hulpmiddelen. In de eerste aflevering van een serie van zeven de gelaatsprothese.

Als Ruud Fontijn zijn protheses op tafel legt, moet je toch even slikken. Zielloos staren de ogen je aan, gevat in huidkleurige oogkassen, die er met wenkbrauwen en wimpers levensecht uitzien. Zelfs de kraaienpootjes en couperose ontbreken niet - de diverse neuzen hebben vergrote poriën op het puntje en de oren lijken wel geamputeerd, zo echt. Maar het blijven lapjes siliconenrubber, die de originele onderdelen moeten vervangen. Heeft de drager van deze gelaatsprotheses ze eenmaal opgelijmd, dan zijn ze vrijwel onzichtbaar, weet Fontijn: “Alleen kinderen valt het onmiddellijk op wanneer iemand een prothese draagt.”

De vijftigjarige gelaatsprothetist haalt zijn fotoalbum tevoorschijn. “Er zitten wat nare foto's bij”, waarschuwt hij nog. Mensen met een gelaat volledig verwoest door tumoren of operaties, kijken de camera in. Op de tweede foto is hun gezicht weer intact en schijnbaar gaaf. En is het onmiddellijk begrijpelijk dat patiënten uit Amsterdamse en Leidse ziekenhuizen naar het Antoni van Leeuwenhoekhuis komen voor een gelaatsprothese van Fontijn. Hij begon eind 1975 met dit werk. Er was - en is nog steeds - geen opleiding voor, dus veel moest hij zelf uitvinden of aan collega's vragen. Een vergelijking met grimeurs die voor film en televisie werken gaat voor hem niet helemaal op: “De technieken zijn wel een beetje hetzelfde. Maar zij bouwen op een gezonde huid en ik op een defecte.” Want neem nu een neus die al door een gezwel is vervormd: “Terwijl het juist bij neuzen zo belangrijk is om het oorspronkelijke model te hervinden. Een neus bepaalt het karakter van het gezicht.” Daarbij komt dat de patiënt, die meestal voor de operatie langskomt, van tevoren niet weet hoeveel er wordt weggenomen. Aan de hand van oude foto's, de herinnering van de patiënt en diens partner, tracht de prothetist tot een acceptabel model te komen. “Een oor is een stuk gemakkelijker. Daarbij neem je gewoon een afdruk van het gezonde oor en dat maak je in spiegelbeeld na.”

Dat de mensen voor hun operatie zijn praktijk binnenlopen, is erg belangrijk, vindt Fontijn. “Ik kan ze alvast wat dingen laten zien en er iets over vertellen. Dat zijn emotionele gesprekken. Het positieve ervan is dat je weet dat er een hulpmiddel komt, al kun je je niet voorstellen hoe het eruit gaat zien.” Zijn protheses hebben over het algemeen een cosmetisch karakter. Maar een aangelijmd oor heeft ook een functie: de drager kan weer een bril op. Hetzelfde geldt voor de kunstneus. In vroeger tijden zat die neus van hard materiaal aan een bril vast, evenals de oogkassen. “En als die bril dan afzakte, keek je zo dat gat in”, aldus Fontijn, die zich gelukkig prijst dat hij sinds twintig jaar met het lichte, soepele siliconenrubber kan werken. Hij doet alles met de hand: de verschillende mallen voor de voor- en achterkant prepareren, de poriën en wimpers aanbrengen, en het op kleur brengen van het rubber. Meestal bezitten zijn patiënten meer dan één prothese, in verschillende tinten: “Als iemand net van vakantie terug is, heeft 'ie anders zo'n lichte vlek in z'n gezicht.”

Niet iedereen lukt het om de oren netjes aan te lijmen. Het gehannes voor een spiegel iedere ochtend, vereist heel wat doorzettingsvermogen. Gemakkelijker gaat het met implantaten, al klinkt het proces wat Robocop-achtig: eerst worden er metalen onderdelen in het hoofd aangebracht, waaraan later met behulp van magneet- of schroefconstructies het kunstoor wordt bevestigd.

Wie alleen een oog mist, kan rechtstreeks naar de specialist die glazen of kunststof ogen maakt. Fontijn gebruikt ze ook voor zijn oogkassen: “Glazen ogen zijn het mooist, maar ook wat kwetsbaarder. Ze zijn hol hè, anders zouden de oogbollen veel te zwaar worden.” Overigens maakt hij ook nòg minder opvallende protheses, zoals slapen (ter bescherming van de tere huid), kuiten of delen van vingers. Wat de chirurg heeft weggehaald, probeert hij op te vullen. Het blijft dankbaar werk, vindt hij: “Mijn patiënten vertellen tijdens het intakegesprek weleens dat ze door wildvreemde mensen worden aangesproken, sommigen draaien hun autoraampje er zelfs voor open als ze langsrijden. Of dat iedereen ze aan zit te gapen, als ze vlak na de operatie nog een doekje voor hun gezicht hebben. Daarom ben ik heel tevreden als zij met hun prothese weer gewoon over straat durven lopen.”