Vogels voor kinderen

Frans Buissink en Ewoud de Groot: Kieviten, ransuilen en andere vogels. 40 blz., geïll., prijs ƒ 24,50. Schuyt & Co, 1997. ISBN 90 6097 426 3.

'EEN PRACHTVONDST is een schedel van een dode vogel, vooral als de snavel er nog aan zit. Schedels spoelen nog al eens aan op het strand. Ze zijn van zieke dieren, die op een kwade dag verdronken zijn. Neem alleen schedels mee die goed schoongespoeld zijn. Anders wordt het een stinkboel.'

In het hoofdstukje Spoorzoeken en verzamelen van het nieuwe jeugdboek Kieviten, ransuilen en andere vogels komt journalist en natuurkenner Frans Buissink met allerlei tips. Vogels hebben nu eenmaal de irritante gewoonte snel weg te vliegen zodra je ze eens goed wilt bekijken. Om ze beter te bestuderen kun je veren verzamelen, vooral in de ruitijd. Met behulp van de plaatjes uit het boek kun je uitzoeken welke vogel die verloren heeft. (Aan dat laatste kwamen mijn eigen kinderen nooit toe, maar ze bleven de veren met onvermoeibaar enthousiasme in de diepvriezer proppen voor later.) Aan vogelpoep is te zien wat het dier heeft gegeten. Braakballen van uilen zitten vol haartjes en botjes, schedeltjes en muizentandjes. En omdat reigers graag mollen eten zijn de haren van de mollenvacht vaak als samengeperst matje onder hun nestboom te vinden. Aan pootafdrukken in het zand kun je de lengte van de tenen meten en kijken of daar zwemvliezen tussen zaten of niet. En als het spoor laat zien dat de vogel met zijn staart door het zand sleepte was het ongetwijfeld een fazant.

Dit kinderboek is met groot enthousiasme geschreven, simpel, vrolijk en informatief. Auteur Frans Buissink is onder meer hoofdredacteur van Panda, het kwartaalblad van het Wereld Natuur Fonds en Vogels, het tijdschrift van de Vogelbescherming. Het is het derde deel in een serie jeugdboeken over de natuur. Eerder verschenen fraaie deeltjes over zeebeesten en paddestoelen. Ook dit nieuwe boek ziet er beeldschoon uit dankzij de vele aquarellen van vogelkunstenaar Ewoud de Groot. Onder het motto 'Zo'n snavel zit in de familie' is bijvoorbeeld een heel rijtje vogelsnavels te zien, van de combinatietang van de zilvermeeuw (“geschikt voor allerlei sloopkarweitjes”), via de lepel van de lepelaar tot de sterke, spitse snavel van de zwarte specht, die in bomen en takken boort op zoek naar larven en torren. Je ziet klauwen naast gelobde tenen, vergelijkt het vliegbeeld van de zeearend met dat van de slechtvalk en ziet een duikeend in actie naast een grondeleend.

Het boek behandelt het bouwplan van de vogels met hun merkwaardige sterke, holle botten en geeft antwoord op de vraag waarom vogels eieren leggen in plaats van levende jongen te baren (alweer een kwestie van lichtgewicht!). Je leest over dag- en nachtvogels, eenlingen en kolonievogels, trekkers en thuisblijvers en over zwaluwen die zich 's winters in kikkergedaante in de modder zouden verstoppen, zoals eeuwenlang werd geloofd. Dat de vogeltrek gevaarlijk is, blijft onvermeld en over bedreigde soorten en verlies aan leefgebied wordt nergens met een woord gerept. De zeearend en de ijsvogel worden hier net zo vanzelfsprekend ten tonele gevoerd als de kraai en de merel, dus dan kun je nog lang zoeken. Niettemin, of juist daarom, een zonnig boek.