Staat komt pomphouders beetje tegemoet

DEN HAAG, 23 AUG. De Nederlandse overheid is bereid de pompstationshouders in de grensstreek met Duitsland op een enkel punt tegemoet te komen. Minister Zalm (Financiën) heeft Brussel gevraagd de huidige compensatieregeling voor de pompstationshouders zodanig te mogen versoepelen dat zij niet enkel van toepassing is per onderneming, maar per station. Dat zou al een redelijke verbetering zijn voor die bedrijven die verscheidene stations in de grensstreek exploiteren.

Dat zei landsadvocaat mr. L.A.D. Keus gisteren voor de Haagse rechtbank tijdens een kort geding tegen de Staat der Nederlanden, aangespannen door Nedoil Tankstations BV en 26 andere pompstationshouders in de grensstreek met Duitsland, die zich hebben verenigd in de actiegroep Pompen of Verzuipen.

De pompstationhouders eisen bij monde van hun raadsman mr. H.H.B. Lamers primair dat de compensatieregeling wordt vervangen door een betere en wel met terugwerkende kracht tot 1 juli, de dag waarop de accijnzen voor benzine, diesel en LPG met respectievelijk 11, 5 en 8 cent per liter zijn verhoogd.

Die accijnsverhoging, gevoegd bij het prijsverschil dat al vóór 1 juli bestond, heeft er sindsdien voor gezorgd dat automobilisten in de grensstreek op grote schaal in Duitsland gaan tanken. Was dat 'weglekeffect' vóór 1 juli nog 112 miljoen liter benzine op jaarbasis, na die datum is die hoeveelheid opgelopen tot 227 miljoen liter, zo is becijferd aan de hand van een rekelmodel van het Nederlands Economisch Instituut. Daarvan wordt tweederde bij Duitse pompen getankt, een derde bij Belgische stations. De derving daardoor van accijns door de Nederlandse overheid bedroeg daardoor vóór 1 juli 152 miljoen gulden per jaar, sedertdien 311 miljoen gulden. Dat alles leidt tot een verlies aan arbeidsplaatsen bij tankstations, toeleveranciers en detailhandel van 1.100 tot 1.400.

In een poging de klanten te behouden moeten pompstationshouders hun prijzen zozeer verlagen dat er hoegenaamd geen winstmarge overblijft. De compensatieregeling maakt dat volgens Lamers op geen stukken na goed. Zeker niet bij die bedrijven die een aantal pompstations beheren. De steun van het ministerie van Financiën komt immers neer op maximaal 70.000 gulden per bedrijf. Daardoor kan op 875.000 liter ongeveer 8 cent per liter worden 'gesubsidieerd'. Bezit een bedrijf bijvoorbeeld vier tankstations, dan houdt de subsidie per station op bij een plafond van een kleine 219.000 liter. Voor een onderneming in de grensstreek als De Fakkel BV, dat er vijf tankstations op nahoudt, is dat volstrekt ontoereikend, stelt Lamers. Vorig jaar verkocht het bedrijf 6,4 miljoen liter. Daarbij komt nog dat de pompstationshouders in het ongewisse worden gelaten over de situatie die na drie jaar ontstaat als de regeling ophoudt te bestaan.

Landsadvocaat Keus wees er gisteren op dat prijsverschillen voor motorbrandstoffen al jaren een gegeven zijn. “Zo hebben begin jaren negentig prijsverschillen voor benzine bestaan van 28 cent met België en 36 cent met Duitsland, steeds in het voordeel van de buurlanden. De prijzen voor diesel zijn altijd kleiner geweest en waren lange tijd in het voordeel van Nederland,” aldus Keus. Die verschillen, zo zei hij, leiden van oudsher tot tanktoerisme. “Voor benzine werkte dit verschijnsel de laatste jaren in het voordeel van de buurlanden. Maar dat is niet altijd zo geweest. In een wat verder verleden hebben Nederlandse pomphouders ook wel van een lagere Nederlandse benzineprijs kunnen profiteren. Het is zelfs zo, dat veel pomphouders zich in het verleden in de grensstreek hebben gevestigd, juist wegens dat tanktoerisme,” aldus Keus. “Dat verklaart ook waarom er in de grensstreek tankstations zijn waar men uitsluitend diesel kan tanken.”

Keus wees er op dat de klant zich vanzelfsprekend niet uitsluitend laat leiden door de hoogte van de accijns, maar door de prijs aan de pomp. En op dat punt mogen Nederlandse leveranciers volgens hem ook wel wat zelfonderzoek doen. De 'kale' brandstofprijzen blijken tussen landen aanmerkelijk te verschillen, terwijl overal de literprijs na raffinage op 24 à 25 per liter ligt. “Een onderzoek in opdracht van de minister van Economische Zaken heeft aangetoond dat de zogenaamde distributie-marge - het bedrag dat nodig is om de brandstof van de rafinaderij naar de pomp te brengen - , de winstmarges van de oliemaatschappijen en de pomphouders per land grote verschillen laten zien. Zo bedraagt de distributie-marge voor Euro 95 in Nederland 28,3 cent per liter tegen 6,9 cent in het Verenigd Koninkrijk. Daar is geen objectieve verklaring voor te vinden,” aldus Keus.

De minister van Financiën is zich er desondanks terdege bewust van geweest dat een accijnsverhoging terwille van milieu- en verkeersbeleid gevolgen heeft voor pomphouders in de grensstreek, zo betoogde Keus. Vandaar ook dat hij voorafgaand aan de wetswijziging overleg heeft gehad met partijen als de Bovag, de belangenvereniging van pomphouders (BETA), de organisatie voor de energiebranche (NOVE) en de Olie Contact Commissie, waarin alle oliemaatschappijen zitten. Die partijen hebben - zij het schoorvoetend - ingestemd met Zalms voornemens.

De minister heeft er volgens de landsadvocaat alles aan gedaan toch te komen tot een compensatieregeling en binnen de Europese wet- en regelgeving een gaatje heeft weten te vinden in de vorm van de zogeheten 'de minimisregeling'. Compensatie is alleen toegestaan als er een 'plafond' en een 'horizon' aan zit, stelt Brussel. De eerder genoemde versoepeling is dus het enige wat Zalm nog kan doen, aldus Keus.

Uitspraak 29 augustus