Spinoza in Jeruzalem; Congres Joodse studies veelomvattender dan ooit

OP 30 JULI HAD de noodlottige zelfmoordactie plaats van twee Palestijnse terroristen op een drukbezochte markt in Jeruzalem. Tegelijk was het de eerste volledige dag van het internationale congres van de World Union of Jewish Studies. Het congres ging gewoon door. Niet omdat men in de Hebreeuwse universiteit op de Scopus-heuvel in een ivoren toren leeft, maar omdat men zich door terroristische aanslagen niet uit het veld laat slaan, ook niet in Jeruzalem.

In 1947, tijdens het eerste congres, ging het over Tenach (Oude Testament), Hebreeuwse Taal, Hebreeuwse Letterkunde, Joodse geschiedenis, Archeologie, Talmoed en Joodse wetten en waren er van de 200 sprekers slechts enkele buitenlanders, hoofdzakelijk coryfeeën zoals de Amerikaanse archeoloog W.F. Albright. Nu, tijdens het twaalfde congres, waren er 1200 sprekers uit 28 landen en waren ook secties gewijd aan Joodse vrouwenstudies, een Joodse ecologie en natuurlijk aan Holocauststudies die in 1947 nog nauwelijks een onderwerp van onderzoek vormden. Verder werden enkele zittingen in Jeruzalem besteed aan de Dode-Zeerollen, waarvan de eerste vijftig jaar geleden werden gevonden in een grot bij Qumran, ten westen van de Dode Zee. Een volledige uitgave van deze tekten geschiedt thans door de Clarendon Press in Oxford, terwijl de teksten worden gezet door E.J. Brill in Leiden, onder verantwoordelijkheid van de uit Amsterdam afkomstige professor Emanuel Tov.

In de sectie 'Feministische studies van de Bijbel' verhelderde Athalya Brenner, in Israel geboren en sinds kort hoogleraar in het Oude Testament aan de Universiteit van Amsterdam, haar 'persoonlijke relatie met het Hooglied'. Ook werd vrij veel aandacht besteed aan zogenoemde Gender Studies. Shalom Goldman uit de VS (een man) vertelde bijzonderheden over de vrouwelijke christelijke 17de-eeuwse Hebraïsten Anna Maria van Schuurman uit Nederland en Antonia hertogin van Württemberg uit Duitsland.

Odette Vlessing, van het Gemeente-Archief in Amsterdam, hield op grond van door haar ontdekte documenten, een origineel verhaal. Zij betoogde dat de heersende opvatting over de in 1656 tegen Spinoza door het bestuur van de Portugees-joodse gemeente te Amsterdam uitgesproken ban, de cherem, onjuist is. Volgens deze opvatting werd deze ban uitgesproken vanwege Spinoza's ketterse uitspraken, maar volgens Odette Vlessing had zij veeleer financiële gronden. Bento de Spinoza, die samen met zijn broer Gabriel na de dood van hun vader Michael diens importfirma in zuidvruchten had voortgezet, geraakte in ernstige financiële problemen, onder andere doordat zijn vaders firma zware schulden bleek te hebben. Ook beschuldigde Spinoza zijn vader ervan het erfdeel van zijn eerder overleden moeder te hebben verkwist. Hij was niet langer in staat zijn financiële verplichtingen als lid van de Portugees-joodse gemeente te voldoen. De ban vrijwaarde hem bovendien van aanspraken van zijn joodse crediteuren. Vlessing vergeleek dit met de boedelafstand, slechts twee maanden na de ban tegen Spinoza, door zijn buurtgenoot Rembrandt aan zijn minderjarige zoon Titus, teneinde aan zijn schuldeisers te ontkomen.

Een aantal speciaal op Nederland betrekking hebbende lezingen was verspreid over verschillende zittingen. Conny Kristel uit Amsterdam verschafte inzicht in het werk van Abel Herzberg, Jacques Presser en Loe de Jong als geschiedenisschrijvers van de vernietiging van de joden in Nederland tijdens de bezetting. Ikzelf sprak over 'Romans en Dagboeken over de Holocaust in Nederland'. Ik contrasteerde het gebrek aan belangstelling voor het lot van de joden tijdens de Duitse bezetting van Nederland en elders in de jaren 1940-45 in de eerste jaren na 1945 en nog lang daarna, en het vrij geringe aantal publicaties van joden zelf over hun lotgevallen in die periode met het zeer grote aantal van deze publicaties in de laatste jaren, onder andere in 1995, en ging in op de oorzaken daarvan.

MILIEU-VRAAGSTUKKEN

De meeste sprekers uit Nederland behandelden echter onderwerpen die niets met Nederland te maken hebben. Zo ging Reinier Munk van de VU in op de filosofie van de Duits-joodse wijsgeer Hermann Cohen, verduidelijkte Resianne Smidt van Gelder-Fontaine (VU) Arabische uitdrukkingen in een bepaalde Midrasj, en sprak Arie Schippers (UvA) over een Arabische en twee joodse dichters uit de 12de eeuw. Jacob Schoneveld, die vele jaren de leiding had van het Martin Buber Haus in Heppenheim bij Frankfort en thans onderzoek doet aan het Oecomenisch Instituut in Tantoer in Zuid-Jeruzalem, gaf uitleg over 'De behandeling van de islam en het christendom in het hedendaagse joodse onderwijs in Israel', terwijl Manfred Gerstenfeld, afkomstig uit Amsterdam, zijn voordracht wijdde aan 'Een Joodse benadering van milieu-vraagstukken'.

Was het voor specialisten die zich hoofdzakelijk met een enkel gebied van joodse studies bezighouden niet moeilijk in Jeruzalem een keuze uit parallellezingen te maken, voor generalisten als ik was het elke avond weer een Tantaluskwelling een 'menu' voor de volgende dag samen te stellen. Het bovenstaande kan daarom slechts een zwakke indruk geven van de rijkdom op het gebied van joodse studies op dit congres. Deze was zo groot dat de voordrachten, in tegenstelling tot de vorige keren, helaas niet gebundeld in druk zullen verschijnen.