Rampzalige revolutie

De 'groene revolutie' is een succes, mede doordat in landen als India hongersnood is uitgebannen. Maar de westerse, technologische aanpak met hoogproductieve gewassen heeft ook tot catastrofale gevolgen geleid: kwetsbare gewassen, teloorgang van lokale rassen, kleine boeren die marktafhankelijk en landarbeiders die werkloos werden, verzilting door irrigatie en verontreiniging door kunstmest.

The Political Economy of Agrarian Change, Keith Griffin. Macmillan Press, Londen, 1979. First The Seed, The Political Economy of Plant Biotechnology, Jack R. Kloppenburg. Cambridge University Press, 1988. Understanding Green Revolutions, diverse auteurs, Cambridge University Press, 1984.

Onderzoeker Keith Griffin, auteur van 'The Political Economy of Agrarian Change', stelt: “De dagen van euforie zijn voorbij. De woordkeus van welingelichte waarnemers is opvallend sober en realistisch geworden: 'miracle seeds' werden 'hoge-opbrengstgewassen' en vervolgens 'moderne soorten'.”

Voor sommigen is de groene revolutie de vèrstrekkende transformatie van de agrarische sector in de Derde Wereld in de jaren zestig. Anderen passen een engere definitie toe: de ontwikkeling van hoge-opbrengstgewassen. Paul Hebinck, als socioloog verbonden aan de Landbouw Universiteit in Wageningen: “De groene revolutie begon in de tijd van grootschalige honger in India en andere landen. Hoge-opbrengstgewassen werden in genencentra gekweekt, in de landen waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen, zoals het Centre for Improvement of Wheat and Maize in Mexico. Ze werden gefinancierd door de Wereldbank en filantropische organisaties als Ford en Rockefeller. Voorstanders stelden dat de Derde Wereld niet zelf tot technologische veranderingen kon komen en veel landbouwkundigen hadden idealen: bijdragen aan de oplossing van het voedselvraagstuk. Bij het multinationale bedrijfsleven leefden doemdenkbeelden, ze zagen een communistisch spook: dit gaat fout, straks zitten we met een revolutie opgezadeld.”

Griffin stelt dat de revolutie alleen bij tarwe en rijst voor hoge opbrengsten heeft gezorgd, slechts in gebieden met gunstige omstandigheden zoals Noord-India, door de combinatie: vruchtbare grond, een goede infrastructuur, commercieel denkende boeren en goed grondwater.

De verbeterde rijstgewassen werden tussen 1962 en 1965 ontwikkeld door het Filippijnse IRRI (International Rice Research Institute). Ze zijn 100 in plaats van 170 centimeter lang. Door een andere bladstructuur kan de zon beter doordringen en de verhouding gewas versus rijstkorrel is 1 op 1 in plaats van 1 op 0,65. Nu zijn er zelfs mini-rassen - tien centimeter hoog - die nog weer circa 25 procent meer opbrengen. Volgens Griffin steeg de rijstproductie in de jaren zeventig niet in de Derde Wereld. In het Nabije Oosten en Azië was slechts 38 procent van de tarwe- en 26 procent van de rijstvelden beplant met hybriden. Zelfs in de Filippijnen, waar veel research werd verricht, is het resultaat bij rijst bescheiden: in niet-geïrrigeerde gebieden was de opbrengst gelijk, in geïrrigeerde gebieden 21 procent hoger. Griffin: “Ook voor maïs, gierst en zelfs koffie zijn betere rassen ontwikkeld, maar de meeropbrengst is voor de wereldvoorraad niet van wezenlijk belang.”

Door het sterke accent op plantenveredeling is de Derde Wereld meer afhankelijk geworden van het Westen, dat kosteloos plantenmateriaal vergaarde en er nu, na manipulatie, geld voor terugvraagt en patenten probeert te claimen. Onderzoeker Jack Kloppenburg ziet in zijn 'First The Seed' de groene revolutie als zelfverrijkend investeren: “De internationale agrarische research-centra (...) dienen om planten-genetische bronnen efficiënt uit de Derde Wereld te onttrekken, om ze vervolgens over te brengen naar de genenbanken van Europa, Noord-Amerika en Japan.” Volgens hem heeft het de Westerse landen miljarden dollars opgeleverd en vertegenwoordigt het een enorme strategische (handels)waarde.

Daarnaast zijn er indirecte gevolgen. Landarbeiders werden werkloos, er was minder dagen werk of de inkomsten verminderden (in Andhra Pradesh in de jaren zestig met 32 procent, in Kenia tussen 1975 en 1983 met 12 procent). Griffin: “Soms heeft het tot zulke ernstige sociale conflicten geleid dat de plattelandsbevolking, of een deel ervan, zich met geweld moest verdedigen, zoals in Mindanao en op de Filippijnen.” Uit een Indiaas onderzoek onder tarwe-boeren bleek dat 45 procent van de kleine boeren verbeterde soorten toepaste, tegenover 90 procent van de grote (die geld hadden om te innoveren). Zij vervuilen het milieu door twee tot vijf keer zo veel kunstmest en verdelgingsmiddelen te gebruiken. Desondanks oogstten kleine boeren in Gapan (Filippijnen) 2,4 ton rijst per hectare, tegenover grote boeren 1,8 ton (1970). In China en Pakistan is nu ruim 20 procent van de geïrrigeerde grond verzilt, waardoor de productie daalt.

Paul Hebinck verrichtte onderzoek in Kenia: “Bij de onafhankelijkheid, begin jaren zestig, werd de maïsproductie efficiënter gemaakt om te kunnen concurreren. Maar het probleem is dat je hybriden moet kopen. De opbrengst neemt enorm af als je ze zelf kweekt; dat zit in het zaadje ingebouwd. Maïs is basisvoedsel in Kenia, dat nu genetisch gezien afhankelijk is geworden van het buitenland. Je kweekt ook markt-afhankelijkheid: naast zaden moet je elk jaar kunstmest kopen; anders krijg je geen wonderopbrengsten.” Hij pakt een doos maïskolven: groot, klein, spits toelopend, geel, wit of geel met zwarte korrels: “Deze doos heb ik in één middag gevuld. Ik denk dat Kenia wel duizend lokale variëteiten kent”, zegt hij en toont een kolf die groter is dan de hybride soort. “Uitgangspunt was dat hybriden meer opleverden, maar als je deze knaller ziet...”

Hebinck: “Keniase plantenveredelaars zeggen nu: 'Misschien hebben we een fout gemaakt; het gaat niet alleen om hoge opbrengsten.' Van sommige soorten kun je pap maken, andere kun je goed koken en weer andere roosteren. Uit onderzoek bleek dat men kleur belangrijk vindt en productiviteit pas op de vijfde plaats komt. Boeren zeiden ook dat ze hybride-maïs niet lekker vonden. Maar in sommige delen is de lokale variëteit volledig weggevaagd. Van de boeren in Nandi, een district groter dan de provincie Utrecht, zaaide 99 procent hybriden. Met zo'n monocultuur is bij één plantenziekte de voedselproductie voor zo'n 700.000 mensen naar de knoppen. Lokale soorten, zoals Uganda Yellow en Red, worden nu weer uit buurtgebieden overgebracht, via uitwisseling en handelaren.”

Volgens Hebinck is het schadelijkste effect van de groene revolutie dat grote boeren hebben geïnvesteerd in arbeidsbesparende technologieën, zoals tractoren: “Er is miljarden ontwikkelingshulp geïnvesteerd, maar gerelateerd aan het arbeidsverlies was dat een strategische fout; een oplossing die paste in het straatje van bepaalde bedrijven, landen en instituten. De productiviteit ligt bij kleine boeren nog steeds hoger, omdat ze land intensiever bewerken. Zo planten ze gewas dichter bijeen, waardoor veel gewied moet worden. Bij grote boeren is die afstand groter en worden er machines doorheen gejaagd. Daardoor zet ik vraagtekens bij het succes van de groene revolutie. Het sluit ook aan bij het huidige politieke debat: of we weer van grootschalige extensieve landbouw terug moeten naar intensievere vormen, ook vanwege het mondiale ruimtegebrek.”

De groene revolutie maakte gebruik van middelen die afhankelijkheid kweken: gekochte zaden en kunstmest, irrigatiesystemen met pompen en (oogst)machines. Er wordt nu veelal gepleit voor een bredere aanpak: diversiteit, investeren in marketing, opslag, transport en agrarische industrie (chemische en mechanische toelevering), meer gericht op lokale situaties en kleine boeren. Volgens Robert Chambers van de Ford Foundation was een grote fout dat met name technici en macro-economen voedselgebrek als een probleem zagen van voedselproductie en niet van armoede. Hebinck over India: “De graanschuren lagen vol, maar veel mensen konden het voedsel niet betalen, en dat is nog zo, denk ik.”