Pijn! pijn! dood! Allochtone patiënten stellen ziekenhuis voor sociaal probleem

Het Haagse Westeinde staat bekend als allochtonenziekenhuis. Een kwart van de patiënten komt uit het buitenland. De diëtisten hebben zich verdiept in Hindoestaanse eetgewoonten en de pastor lobbyt voor een voltijdse huisimam. Maar de taalbarrière is dikwijls groot en de medische klachten van Turken en Marokkanen blijken nogal eens psychisch van aard te zijn. “Zodra iemand zich niet verstaanbaar kan maken, vervallen we in veterinaire geneeskunde.”

De specialist zegt argeloos na een onderzoekje tegen een Turkse patiënt: 'Zo, dat is achter de rug.' De patiënt keert terug naar de wachtkamer, waar zijn familie vraagt wat hem mankeert. Verwonderd antwoordt hij: 'Ik heb iets achter mijn rug.'

Een Marokkaanse vader komt met zijn kinderen - een tweeling - bij de neuroloog. Omdat geen van drieën Nederlands spreekt, wijst de zoon naar zijn voet. De neuroloog maakt een afspraak om de voet nader te bekijken. Kort daarna verschijnt het drietal bij neuroloog-in-opleiding dr. W. Oerlemans. “Via gebarentaal probeerde ik hun komst te begrijpen. Volgens de administratie was het onderzoek al verricht en de behandeling begonnen. Na twintig wanhopige minuten kwam de vergissing aan het licht: iemand had per abuis het been van het meisje onderzocht, terwijl haar tweelingbroer met de klapvoet zat. Ze delen dezelfde naam, voorletter en geboortedatum.”

Het personeel in het Haagsche Westeinde Ziekenhuis grossiert in anekdotes over culturele misverstanden. Ze relativeren daarmee de spanningen, die taalbarrières en culturele verschillen dagelijks veroorzaken tussen personeel en patiënten. Spanningen zijn er al genoeg in een ziekenhuis.

Met 621 bedden geldt het Westeinde als een groot ziekenhuis. Het is een soort flat, met veertien verdiepingen, die uitkijkt over het centrum van Den Haag. Alleen de acht academische ziekenhuizen zijn groter. Het is naast het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (OLVG) het enige overgebleven 'binnenstadziekenhuis' in Nederland. Beide zijn oud - het Westeinde is geopend in 1873 (nieuwbouw in 1979) en het OLVG in 1898 - staan in oude binnenstadswijken en vangen met name patiënten op uit die buurten. Door fusies en slechte bereikbaarheid zijn verreweg de meeste van de honderdtien ziekenhuizen in Nederland uitgeweken naar de stedelijke periferie.

De afgelopen twintig jaar hebben zich duizenden Turken, Marokkanen en (met name Hindoestaanse) Surinamers in het Westeinde laten behandelen. Het percentage allochtone patiënten (25 procent) stijgt elk jaar licht om één reden: het aantal bewoners van buitenlandse komaf neemt toe in de naburige wijken, de Schilderswijk en de Transvaalwijk. Naar verwachting zal in het jaar 2000 ruim negentig procent van de Schilderswijk-bewoners allochtoon zijn.

Op de afdeling verloskunde ligt een Turkse vrouw die vannacht een gecompliceerde bevalling had. “Ze spreekt geen woord Nederlands dus de persinstructie verliep moeizaam”, legt de arts-in-opleiding uit aan gynaecoloog Dörr. De vrouw draagt een donkere hoofddoek in bed. Verlegen kijkt ze op als Dörr en drie artsen-in-opleiding om haar heen staan. Ze mompelt iets in het Turks. Haar Turkse buurvrouw, twee bedden verderop, wil wel even vertalen. “Ze heeft pijn in haar rug en heeft honger”, vertelt zij. Dörr zegt op vriendelijke en heldere toon: “U krijgt zo te eten hoor.” De vrouw mompelt weer iets. “Maar ze heeft zo'n pijn”, vertaalt haar buurvrouw. Dörr: “Zeg maar dat ze een pijnstiller krijgt bij het eten.”

Hier op de veertiende is tachtig procent van de patiënten allochtoon. In vergelijking met de meeste verpleegafdelingen en de bevolkingssamenstelling van Den Haag, is dat veel. “Turkse, Marokkaanse en Hindoestaanse vrouwen krijgen nu eenmaal meer kinderen dan Nederlandse vrouwen”, zegt kraamverpleegkundige Hans Peter Scheenstra. “Vroeger ontving ik vrouwen voor hun achtste bevalling. Dat wordt wat minder. Jonge allochtone vrouwen willen weliswaar minder kinderen, maar ze weten weinig van voorbehoedsmiddelen. Ze slikken de pil onregelmatig of helemaal niet.”

Paracetamol

Het personeel in het Westeinde heeft zich neergelegd bij het imago van allochtonenziekenhuis. “We schreeuwen niet van de daken dat we veel allochtonen opvangen, maar zo is het wel en we schamen ons er niet voor”, zegt pastor De Gruijter. Zijn functie verraadt de katholieke oorsprong van het ziekenhuis. In zijn kastje met bijbels, liggen tegenwoordig ook korans - “geen vertaling want dat zou onverantwoord zijn” - en bidkleedjes. “We hebben een binnenstadfunctie en als dat betekent dat blanke Nederlanders het ziekenhuis mijden, is dat jammer. Maar voor ons is elke patiënt gelijkwaardig, iedereen kan op eenzelfde behandeling rekenen.”

Toch veroorzaken allochtone patiënten in het Westeinde problemen voor de verpleegkundigen en artsen. Iedereen heeft wel een verhaal over oudere Turken en Marokkanen die geen Nederlands spreken en paniek zaaien. Over culturele verschillen die het contact tussen de verpleegafdelingen, de artsen, de boekhouders en de patiënten bemoeilijken. Over onverzekerde patiënten die op de ziekenfondspas van een broer komen. En over allochtonen die de huisarts overslaan en rechtstreeks naar de EHBO rennen. Met de geïntegreerde 'tweede generatie' allochtonen heeft het ziekenhuis weinig te maken, omdat ze jong is en dus gezond.

Het ziekenhuis vindt dat het een sociale verantwoordelijkheid heeft en niet alleen moet genezen. Met de komst van steeds meer allochtone patiënten, zijn de faciliteiten in het Westeinde uitgebreid. De bewakingsdienst heeft allochtone surveillanten aangesteld, iedereen weet wanneer de Ramadan valt, de diëtisten hebben zich verdiept in Turkse en Hindoestaanse eetgewoonten en de pastor lobbyt nu voor een huisimam en huispandit (hindoepriester). Verpleegkundigen leren begripsverwarring te omzeilen. “We kunnen op de videobeelden van het loket vaak al zien wat iemand mankeert aan de manier waarop hij loopt als hij binnenkomt”, vertelt Frans de Voegt, hoofd van de Eerste Hulp. “Als iemand je niets kan uitleggen, leer je goed observeren.”

In de tl-verlichte wachtkamer zitten op vrijdagavond behalve enkele blanke Hagenezen, een Hindoestaans stel met kinderen op schoot, een Turks echtpaar en twee Marokkaanse meisjes. Ook hier op de Eerste Hulp wandelen relatief veel allochtone patiënten binnen: zeventig procent. Oorzaak is dat veel oudere en nieuw gekomen allochtonen het Haagse huisartsensysteem niet begrijpen, vertelt De Voegt. “Ze bellen de huisarts op, krijgen een bandje te horen dat ze niet verstaan en snellen dus maar naar de EHBO.” Met snijwondjes, keelpijn van drie maanden en andere weinig spoedeisende klachten. “We grijpen vaak naar paracetamol en een briefje voor de huisarts, maar eigenlijk horen die klachten hier niet thuis.”

Anderen slaan de huisarts sowieso over en komen rechtstreeks naar de EHBO, stelt arts-in-opleiding S. Vaas vast. Veel gezichten komen hem bekend voor. Hij bekijkt de gebroken neus van een jonge Turkse man. “Ik ken u. U bent kapper hè? Wat is er gebeurd?” Klappen gekregen, zegt zijn vrouw. “Dan moet u maandag naar de KNO-arts. Ik kan u nu alleen pijnstillers geven.” Sommige patiënten balen ervan als hun huisarts hen niet naar een specialist verwijst, vertelt Vaas. “Dan komen ze hier, in de hoop alsnog verwezen te worden.”

Dit is een rustige avond op de EHBO, zegt het personeel, soms is er een rij van twintig man. Vanachter kogelvrij glas ontvangt een receptioniste de patiënten. Achterin, naast de zitkamer van het personeel, kan iedereen via een beeldscherm volgen wie de receptie passeert. Allochtoon of autochtoon - er is altijd wel iemand die vindt dat anderen ten onrechte voorrang krijgen, zegt De Voegt. Hagenaars roepen: “Ik moet wachten en die Turk mag meteen doorlopen.” Turken roepen: “Ik word niet meteen geholpen, u discrimineert.” Droogjes zegt De Voegt: “Aangezien ze dat allebei zeggen, is de verdeling kennelijk eerlijk.”

Als de spanning op een afdeling oploopt, wordt de Turkse surveillant Aziz Mermi opgepiept. In donker uniform, portofoon in de hand, haast Mermi zich door de gangen naar de plek des onheils. Hij is een kameleon. Twee jaar geleden werd hij in dienst genomen. Niet omdát hij Turks is, “maar ik ben wel handig”. Mermi is in Nederland geboren, komt uit een modern gezin en schakelt moeiteloos over van Haags op Turks of Koerdisch. “Ik leg patiënten uit dat iedereen even snel wordt geholpen, ook Turken. Dat de arts het beste met hen voor heeft. Patiënten die geen Nederlands kunnen, raken in paniek als ze een klacht hebben. Ze roepen: 'Pijn! pijn! dood!' omdat ze vrezen dat niemand hun noodsituatie begrijpt. Ze worden boos als ze moeten wachten.” Sommige Turken, vertelt Mermi, zeggen tegen hem dat ze bij Hollanders sneller iets gedaan krijgen als ze schreeuwen. Mermi: “Een Nederlander zal inderdaad sneller helpen om de lieve vrede te bewaren. Daar komt bij dat je in Turkije alleen wordt geholpen als je schreeuwt of de arts iets toestopt. Daar geldt het recht van de sterkste.”

Trots meldt Mermi dat ook Nederlanders naar hem luisteren, omdat hij weet hoe hij een Nederlander moet toespreken. Mermi: “Als Haagse Harrie's roepen dat 'die kankerturk sneller wordt geholpen', dan zeg ik op rustige, samenzweerderige toon dat dat niet zo is. Dat het alleen zo lijkt. Ze horen en zien niet dat ik ook Turks ben. Ik zou een donkere Nederlander kunnen zijn.”

Mermi is ook tolk. Verpleegkundigen die zeggen 'patiënten moeten maar Nederlands leren spreken', hebben gelijk, vindt Mermi. “Maar op het kritieke moment schiet je daar niets mee op.” Artsen kunnen de tolkentelefoon gebruiken, maar die moet je weken van te voren reserveren, het contact is afstandelijk en bovendien is de tolk vaak een man. “Islamitische vrouwen zullen hun klachten niet aan een man vertellen”, zegt Mermi. “Alleen in noodgevallen.” Mermi moest een keer achter een gordijntje gaan staan, terwijl een gynaecoloog een Turkse vrouw onderzocht. “Ik zag niets. De arts vroeg: 'doet dit pijn?' Ze antwoordde: 'Ja'. Ik vertaalde de dialoog, terwijl haar man naast mij stond.”

Eén keer heeft Mermi in het Turks een patiënt moeten vertellen dat hij zou overlijden. “Dat was zwaar. Ik zei het op onze manier: 'U wordt niet beter'. Ik heb nooit geweten of het tot hem doordrong, want hij keek zo gelukkig.”

Waarnemen

In de drukke centrale hal rent een Turkse vrouw op een verpleegkundige af. Achter haar sloft haar hoogzwangere schoonzus. De vrouw wijst naar de buik van haar schoonzus en vraagt: “U weet kamer zwanger?”. De verpleegkundige probeert uit te leggen waar ze heen moeten, maar als Mermi erbij komt, begint de vrouw meteen tegen hem in het Turks. Ze praat hard, gedecideerd en zodra ze weet wat ze weten wil, duwt ze haar schoonzus in de richting van de liften. Mermi ziet meteen of hij met “een traditionele of moderne Turk” te maken heeft, zegt hij. Dit was een moderne, fluistert hij glimlachend. “Want ze durft een man aan te spreken.”

Mermi ergert zich aan de afhankelijkheid van traditionele Turkse en Marokkaanse vrouwen. “Een Turkse patiënte had een tumor in haar buik. Die werd dagelijks groter. Haar man weigerde de behandeling die de internisten voorschreven. Hij had Japanse pilletjes waar hij in geloofde. Hij eiste telkens dat er röntgenfoto's werden gemaakt. De artsen zeiden na een paar weken dat het zo niet verder kon, maar hij haalde haar weg uit het ziekenhuis. Ik denk dat ze is overleden.”

De taalbarrière is ook problematisch voor de internisten, die organen onderzoeken om een ziekte vast te stellen. “De anamnese, het verhaal van de patiënt, is het belangrijkste middel voor een internist om te bepalen wat er aan de hand is”, vertelt internist Buurke tijdens zijn spreekuur. “Een anamnese kun je niet achterhalen via een tolkentelefoon, dat is te beperkt en te onpersoonlijk. Veel patiënten nemen familie mee om te vertalen, maar als dat niet kan, vervallen we in veterinaire geneeskunde. Bij iemand die niet kan uitleggen wanneer de pijn optreedt, hoe hij zich voelt en wat hij eet, kun je uitsluitend waarnemen. Je moet het doen met bloed afnemen, foto's en echo's maken.” Pastor de Gruijter betreurt het dat jonge kinderen moeten vertalen voor hun ouders. “Je kunt hen toch niet opzadelen met alle problemen van volwassenen?”

Allochtone patiënten worden relatief vaker opgenomen dan autochtonen, omdat dat soms de enige manier is om te achterhalen wat iemand mankeert. Dit doorkruist het beleid in de gezondheidszorg om patiënten steeds minder en steeds korter op te nemen. Neem de oude Hindoestaanse suikerpatiënt van Buurke, die geen Nederlands spreekt. Tijdens zijn spreekuur belt de wijkverpleegster met de vraag of Buurke de man wil opnemen. “Een alleenwonende man die steeds flauwvalt, maar die niet kan uitleggen hoe, wanneer en waarom. We moeten hem dus een paar dagen opnemen om hem te observeren. Bij een Nederlander zou tekst en uitleg volstaan voor behandeling.”

Eenderde van de Hindoestanen krijgt suikerziekte en het verloop van de ziekte is ernstiger dan bij andere etnische groepen. “Een raciale afwijking”, aldus Buurke. Hij heeft vaste Hindoestaanse suikerpatiënten, maar ook Turkse en Marokkaanse. “Ik heb een band met mijn patiënten, ook al kunnen we elkaar nauwelijks verstaan. Ik krijg ansichtkaarten uit Turkije en Marokko. Dat is prachtig. Kennissen zeggen weleens: 'vind je dat niet vervelend, al die kleurlingen?'. Maar ik vind het enig.” Eén nadeel is de zomervakantie. Buurke: “Dan heb ik lang geïnvesteerd in het juiste dieet voor een patiënt en dan verdwijnt die opeens drie maanden naar Turkije of Marokko. Als hij terugkomt, zijn we vaak terug bij af.”

Het Westeinde helpt iedereen. Illegaal, crimineel of onverzekerd, het maakt niet uit. Bovendien hoeft niemand te vrezen voor aangifte bij de politie. “We zijn zo humaan als de neten”, zo verklaart F. Sprenger, hoofd van de debiteuren-administratie. Artsen en verpleegkundigen willen altijd helpen, zeggen Buurke, Dörr en De Voegt. Als de Eerste Kamer de koppelingswet aanneemt, krijgen ziekenhuizen en artsen hulp aan illegale buitenlanders alleen vergoed als die in 'acuut medische noodsituaties' verkeren. Het Westeinde negeert die wet en betaalt desnoods de kosten zelf. De eerste (en duurste) dag in bed kost ongeveer 1.400 gulden.

Een islamitische debiteur overlegt niet graag met een vrouw, heeft Sprenger geleerd. En met mensen uit zijn etnische groep al helemaal niet. “Ik had een Turkse uitzendkracht en ik dacht 'die kan dan in zijn moedertaal met Turkse debiteuren praten'. Mooi niet. De Turkse gemeenschap is zo klein, dat niemand met een Turk durft te praten uit angst voor roddels”, aldus Sprenger.

De accountant van de internistenmaatschap wijst ook regelmatig op de post 'dubieuze debiteuren'. Buurke: “Als er een onverzekerde oude Surinaamse vrouw nodig aan het kunstnierapparaat moet, dan doen we dat natuurlijk! Ook als die behandeling de maatschap niets oplevert. We laten haar toch niet lijden?” Maandelijks komt er wel iemand met het ziekenfondspasje van een familielid. Als de echte pashouder ooit in het Westeinde is geweest, dan staan zijn medische gegevens in het systeem. “Stel je voor dat die pashouder suikerziekte heeft en ik zou ten onrechte insuline toedienen bij de nieuwe patiënt”, zegt Buurke. Insuline kan dodelijk zijn. Hij bekeek eens een röntgenfoto van een patiënt. Pas op de foto van de ingewanden zag hij, dat die niet dezelfde waren als de ingewanden die hoorden bij het ziekenfondspasje.

Op afdeling C7 (Kanker, HIV en Longaandoeningen) zitten vier Hindoestaanse volwassenen en drie kinderen aan het bed van een patiënt. De zon verlicht de zaal, het bezoek praat zachtjes, de andere patiënten kijken niet op van de grote groep rond het bed. Toch is het de huisregel - twee man bezoek per bed en alleen tijdens bezoekuur - die de meeste problemen veroorzaakt tussen personeel en allochtone bezoekers. Mermi: “In de Turkse, Marokkaanse, Hindoestaanse en Afrikaanse culturen is het een schande als je iemand niet bezoekt. Ook als je hem nauwelijks kent. Bezoekers komen dus vaak met z'n tienen. Maar het stoort andere patiënten als de kamer te vol is, dus moet ik weleens ingrijpen. De verpleging probeert het eerst altijd zelf.”

De ene verpleegkundige ziet meer door de vingers dan de andere, waardoor de regel ruzie kan veroorzaken, zegt Mermi. “'U discrimineert!', roepen allochtone bezoekers dan geërgerd. Als drie Nederlandse bezoekers te horen krijgen dat er eén naar buiten moet, zeggen ze verwijtend: 'Die buitenlanders mogen wel met zijn tienen'. Ik herhaal dan altijd dat voor iedereen dezelfde regels gelden.”

Soms leiden rituelen en gebruiken tot misverstanden. Moslims plegen bijvoorbeeld altijd zeven rituele wassingen bij overleden familieleden. Tussen verpleegkundigen van de Intensive Care (IC) en de familie van een Marokkaanse vrouw ontstond daarover een keer ruzie, vertelt pastor de Gruijter. De oude vrouw, die op de IC stierf, had na het overlijden nog gassen in haar buik, waardoor haar buikhechtingen het niet hielden. Het vocht bleef stromen uit haar buikwand, waardoor ze almaar niet rein werd, alle wassingen ten spijt. De Gruijter: “De familie was boos omdat ze haar niet konden reinigen en dus geen waardig afscheid van haar konden nemen.” Geen arts zal volgens hem met geweld de buik van een dode vrouw dichtmaken. “Na zo'n ervaring, leer je rekening houden met zulke gewoontes.”

In het Westeinde wordt zelden gepraat over de dood met allochtone patiënten. Pastor de Gruijter bespreekt angsten en wensen bijna uitsluitend met chronisch zieke patiënten van Nederlandse komaf. Moslims en hindoes vragen meestal hun familie-imam of pandit om langs te komen. Die zit dan aan het bed en leest voor uit de koran. De Gruijter zou graag een multi-inzetbare huisimam hebben, maar dat stuit op problemen: Imams worden in hun land van herkomst opgeleid, blijven hier maar een paar jaar, spreken geen Nederlands en kunnen dus alleen met één groep werken. Een Turkse imam kan dus weinig doen voor een Marokkaanse patiënt. Het Westeinde heeft zijn hoop gevestigd op een Nederlandse imamopleiding.

Ziektewinst

Internist Buurke beschouwt de grote variëtiet aan buitenlandse ziekten in het Westeinde als een voordeel. “We hebben hier vormen van tuberculose, die in de meeste Nederlandse ziekenhuizen niet voorkomen. Interessant hoor.” De gynaecologen ondervinden hetzelfde. Dörr: “Sommige jonge allochtone vrouwen moeten vreselijk braken als ze in verwachting zijn. We nemen ze op, omdat ze in hoog tempo gewicht verliezen, soms wel tien kilo. We zijn erachter dat dat geen somatische aandoening is, maar een psychosociale. Ze zijn bang, omdat ze er alleen voor staan. Ze kunnen de spanningen en verwachtingen van het moederschap niet aan. Zeker niet, als hun beste raadgever, hun moeder, in het buitenland woont.”

Jaren geleden heeft Buurke zich het hoofd gebroken over de buikklachten van vele allochtone vrouwen. “We begrepen er niets van. Pa zat ernaast en kon niet duidelijk maken wat haar mankeerde. We zochten grondig maar konden geen medische problemen ontdekken”, aldus Buurke. “We denken aan het fenomeen 'ziektewinst'. Er is maar één manier om je als Marokkaanse of Turkse vrouw in een traditioneel gezin te onttrekken aan je verantwoordelijkheden in huis: ziek zijn. Dan krijg je aandacht en hoef je niet dag en nacht voor iedereen klaar te staan. Jammer genoeg krijgen we zelden inzicht in de échte sociale klachten van zo'n patiënte. Ik heb weleens een diagnose van één woord gesteld: heimwee.”