Paars lapt democratische beloften aan de laars

De parlementaire controle op het kabinetsbeleid is de afgelopen drie jaar eerder zwakker dan sterker geworden. Het dualisme tussen Kamer en kabinet dat premier Kok in 1994 aankondigde is in zijn tegendeel verkeerd, constateert Kees Versteegh aan de vooravond van het nieuwe parlementaire seizoen. In plaats van een sterker parlement bevordert het juist regentesk bestuur. Daarvoor was het dualisme trouwens ooit bedoeld.

Tijdens de laatste persconferentie voor de zomervakantie vertelde vice-premier Dijkstal waarom het kabinet wensen van de Tweede Kamer naast zich neer kan leggen. “Dat is nou dualisme”, grapte hij over de twee moties die het parlement de nacht daarvoor had aangenomen over de OV-kaart voor studenten, en die het kabinet geweigerd had uit te voeren. Het was de vrijheid van de Kamer om moties aan te nemen en het was de vrijheid van het kabinet om die niet uit te voeren, aldus de eenvoud van zijn redenering.

In een notendop gaf de tweede man van de VVD aan waarin het dualisme tussen bestuurders en controleurs na drie jaar paars is ontaard: dat van vrolijk regentesk bestuur. Het kabinet regeert op ontspannen wijze zijn volk, schenkt het welvaart, banen en lagere belastingen, gaat mede daarom met een gerust hart de verkiezingen tegemoet en reageert vriendelijk doch beslist als vertegenwoordigers van datzelfde volk met eigen wensen komen. “WIJ VOEREN DIE NIET UIT”, brulde minister Zalm in de laatste vergadernacht voor het reces over één van de twee aangenomen moties, en heel het pretkabinet schuddebuikte van het lachen.

Met grotere parlementaire controle op het kabinet heeft het in 1994 beloofde dualisme niet zoveel te maken. Integendeel, op belangrijke punten gaat het kabinet zijn eigen gang en gebruikt datzelfde dualisme juist om het parlement op veilige afstand te houden. De doofpotachtige sfeer rond 'Srebrenica', de onbevredigende afwikkeling van de IRT-affaire, het nooit gestarte El Al-onderzoek (wat voor schadelijke stoffen zaten er in neergestorte Boeing?), de geheimzinnigheid rond de Securitel-affaire, ze zijn uitgegroeid tot symbolen van de niet-ingeloste democratische beloften van paars.

Op 31 augustus 1994 hielp premier Kok zelf die belofte in de wereld door in zijn regeringsverklaring te reppen van “open overleg”, waarin “regering en parlement tot overeenstemming proberen te komen”. De coalitiepartners, D66 voorop, spanden zich daarna geregeld in om 'paars' als een overwinning op de Lubbers-jaren te vieren. Die werden vanuit een, naar nu blijkt, misplaatst superioriteitsgevoel weggezet als donkere tijden voor de democratie, waarin Kamerleden in de beslotenheid van het Torentjes-overleg telkenmale onder het juk van Lubbers door moesten. Met paars zou de parlementaire vrijheid aanvangen.

Dat de praktijk anders uitpakte, wordt meestal toegeschreven aan het niet- consequent vasthouden aan het dualistisch beginsel. Vertegenwoordigers van kabinet en regeringsfracties zouden toch regelmatig in donkere kamers van Torentje, Catshuis of elders bij elkaar kruipen om afspraken te maken en het openbaar parlementair debat tot een schijnvertoning te reduceren.

De opmerking van Dijkstal en de lijst affaires demonstreren echter precies het tegenovergestelde: juist een consequent volgehouden dualisme maakt het voor het parlement lastig zijn controle en invloed uit te oefenen. Verwonderen hoeft dat niet. Anderhalve eeuw gelden is het dualisme juist uitgevonden om de volksvertegenwoordiging op afstand te houden.

De liberaal Thorbecke, founding father van het Nederlandse staatsbestel, bracht de scheiding van verantwoordelijkheden tussen Kamer en kabinet in stelling tegen de zijns inziens verderfelijke staatsrechtelijke praktijk in Groot-Brittannië. Daar gold niet de scheiding der machten (tussen regering en parlement) als de kern van de democratie, maar de scheiding tussen het kabinet en zijn meerderheid in het parlement enerzijds en de parlementaire oppositie anderzijds.

Al in de achttiende eeuw hadden Britse staatsrechtgeleerden als oud-minister Lord Bolingbroke gesteld dat zodra een nieuwe regeringscombinatie het voor het zeggen krijgt, machtsmisbruik toeslaat. Affaires, geheimzinnigheid en doofpot-politiek zijn het gevolg. Bolingbroke vond het de taak van de parlementaire oppositie om deze degeneratie “alert, systematisch, en contructief” aan de kaak te stellen, net zo lang tot ze door de kiezer beloond wordt.

Thorbecke verwierp deze theorieën, onder meer omdat ze een veel te grote interesse van het publiek in het landbestuur en parlementaire werk veronderstelden. Verder vond hij dat kabinet en parlement in Groot-Brittannië teveel bij elkaar op schoot zaten. Hij liet zich liever inspireren door de trias-politica-leer over de scheiding der machten. “De regering regeert, het parlement controleert”, was het staatsrechtelijk adagium dat hier uit voortkwam, en dat anderhalve eeuw later nog steeds doorklinkt in Nederlands belangrijkste vergaderzaal.

Na Thorbecke zouden vele succesvolle politieke leiders dit dualistisch beginsel aangrijpen om de parlementaire macht te beperken. De KVP-politicus Romme bijvoorbeeld, nota bene zelf parlementariër, vond als overtuigd dualist dat Kamerleden zich als 'geweten van de regering' wijze zelfbeperking moesten opleggen. En oud-premier Lubbers betoonde zich in de slotfase van zijn heerschappij een meester in het dualistisch manipuleren van het parlement.

De sociaal-democraat Th. Wöltgens beschrijft in de afscheidsbundel voor de oud-minister-president (Anthos, 1994) hoe deze in de laatste jaren van zijn premierschap een 'opmerkelijke' voorliefde voor het dualisme aan de dag legde, bijvoorbeeld toen hij CDA-fractieleider Brinkman een akkoord liet sluiten met de VVD-fractie over de WAO. Lubbers was geleidelijk aan het nadeel gaan inzien van al teveel Torentjes-overleg met Brinkman, niet om redenen van democratische zuiverheid, maar gewoon omdat het overleg zijn beoogd opvolger teveel, in Lubbers' ogen negatieve, invloed op het kabinetsbeleid gaf.

Een tweede belangrijke achtergrond van het demasqué van het paarse dualisme wordt gevormd door de machtsbalans tussen kabinet en Kamer. Die is de afgelopen drie jaar onmiskenbaar verschoven in het voordeel van de eerste, uitvoerende macht. Dat heeft niet alleen te maken met het niet optimaal functioneren van de grootste oppositiepartij, maar ook met de positie van de VVD in het parlement.

Aanvankelijk werd veel verwacht van VVD-leider Bolkestein die in het parlement de handen vrijhad om het onversneden liberale geluid te laten horen en indien nodig, het kabinet onder vuur te nemen. Achteraf bezien is zijn vrijheid echter schromelijk overschat. Bolkestein werd juist de gevangene van het succes van het kabinet dat hij in 1994 in het zadel hielp, maar waarvan hijzelf geen deel uitmaakte.

Het succesvol financieel-economisch beleid en de daarmee samenhangende populariteit van het kabinet plaatsten de liberale leider voor een groot dilemma. Steunde hij het kabinet-Kok teveel, dan speelde dat zijn electorale tegenstander in de kaart, die straks bij de verkiezingen als premier over de beste papieren beschikt om het succes van het beleid te verzilveren. Nam Bolkestein juist teveel afstand van het kabinet door zijn parlementaire controletaak serieus op te vatten, dan zou de kiezer dat niet begrijpen en afstraffen.

Bolkestein loste dit dilemma op door enerzijds het kabinetsbeleid te steunen en anderzijds een schier onafzienbare reeks bijna-conflicten te creëeren waarmee hij de afgelopen jaren naam en faam verwierf. Geholpen door welwillende media leverde die Bolkestein onnoemelijk veel gratis publiciteit op en plezierige opiniecijfers. De media die hem die publiciteit schonken, zijn daarmee zelf mede schuldig aan het gebrek aan daadwerkelijke parlementaire controle. Ze boden de luidruchtigste dualist van het parlement de mogelijkheid aan zijn rol van kabinetscontroleur te ontsnappen en te vluchten in de rol van debat-leider.

Een tweede factor die de parlementaire assertiviteit niet heeft bevorderd, was het feit dat twee fractieleiders, die van D66 en PvdA, deze parlementaire periode beschouwden als een eerste opstap naar eventueel partijleiderschap. De lotgevallen van ex-CDA-kroonprins Brinkman hadden gedemonstreerd dat zo'n stage noopt tot voorzichtigheid, en een onfhankelijke koers suïcidale aspecten kan bevatten. Wallage begreep die les beter dan Wolffensperger. Deze laatste moest zijn kroonprinselijke titel weer inleveren nadat hijzelf en zijn fractie een enigszins onafhankelijke koers hadden gevaren in het 'Van Randwijck-debat' van oktober 1995 en daarmee de politiek onervaren D66-minister Sorgdrager in grote moeilijkheden brachten.

Hiermee vergeleken pakte Wallage het slimmer aan. Heel even maar, vorig najaar, liet hij het aan zijn fractiegenoten over om te oefenen met een dualistische koers inzake de nachtvluchten op vliegveld Beek en de aanleg van de hogesnelheidslijn. Toen de PvdA-parlementariërs Crone en Van Heemst met bebloede koppen terugkwamen van deze confrontatie met het kabinet, kroop de PvdA-fractie haastig terug in haar hok om er niet meer uit te komen.

Een derde, laatste reden die de vorming van een volwassen parlementair tegenwicht tegenover het kabinet bemoeilijkte was het aantreden van het groot aantal nieuwkomers in 1994 (73 van de 150 Kamerleden). Nieuwe leden moeten zich inwerken, een plaatsje verwerven in de pikorde van de fractie, desnoods met aanwending van fysiek geweld zoals binnen de ouderenpartijen gebeurde. Dat verdraagt zich slecht met een volwassen controle op de macht en levert eerder teksten op zoals die van het jongste lid Sharon Dijksma (26). Die beschreef haar controlerende taak in deze krant ooit als “minister Melkert in zijn nek hijgen”. De bewindsman zal er geen seconde van wakker gelegen hebben.

Komende maandag begint het laatste parlementaire jaar van deze zittingsperiode. Verkiezingsseizoenen zijn zelden periodes waarin de democratische controle floreert, zeker als de zittende combinatie op winst afkoerst. Het democratisch tekort van paars zal dan ook blijven bestaan, al zullen politici uit de coalitie ten behoeve van diezelfde verkiezingen er veel aan doen de schijn van het tegenovergestelde te wekken.

    • Kees Versteegh