Laat de Rijn maar komen; Nederland profiteert van wateropvang in Noordrijn-Westfalen

De recente watersnood in Midden-Europa heeft de discussie weer doen oplaaien: rivieren moeten meer ruimte krijgen om vloedgolven van regenwater te verwerken. Een belangrijk middel daartoe is de aanleg van retentiebekkens.

LAND VAN ORSOY heet de plek, een betrekkelijk kleine en nu nog binnendijkse laagvlakte, gevangen in een bocht van de Rijn tussen de Nederlandse grens en Keulen. Een groene, voornamelijk agrarische long, genoemd naar het dorp Orsoy, in een sterk geïndustrialiseerde regio. Ook deze streek werd begin 1995, net als het Nederlandse rivierenland verder stroomafwaarts, getroffen door hoog water en ook hier is een plan de campagne opgesteld en deels uitgevoerd om te voorkomen dat een nieuwe vloedgolf rampzalige gevolgen heeft.

Maar er gebeurt meer dan alleen het verzwaren van de bandijken. Waar de Rijn door de deelstaat Noordrijn-Westfalen stroomt, zijn elf binnendijkse terreinen aangewezen als overlaten: plaatsen waar men de rivier doelbewust laat overstromen om de hoogte van zo'n vloedgolf binnen de perken te houden. Rententiebekkens heten ze ook wel en de Duitsers spreken van Rückhalteraüme. Die elf gebiedjes, waar natuur de overhand moet krijgen, beslaan samen een oppervlak van 47 vierkante kilometer en kunnen in de toekomst 175 miljoen kubieke meter water bergen.

Ook Nederland, dat stroomafwaarts ligt, zal daar in noodgevallen van profiteren. Volgens berekeningen van Duitse èn Nederlandse experts zal het gebruik van die opvangbekkens het waterpeil bij Lobith met tien à twintig centimeter verlagen, terwijl de vloed met circa twaalf uur wordt vertraagd. Een slok op een borrel heet zoiets. De maatregelen hebben bovendien als voordeel dat ze uitstijgen boven de symptoombestrijding waar dijkverzwaring onder valt. En Nederland hoeft aan de 450 miljoen gulden die het Duitse project gaat kosten, geen cent mee te betalen.

Tien van de elf geplande overlaten of retentiebekkens verkeren nog in het stadium van voorbereiding of verkenning. Alleen in het Land van Orsoy is al aan de uitvoering begonnen. Net als elders langs de Duitse Rijn is het betrokken Deichverband (vergelijkbaar met het Nederlandse waterschap) de formele opdrachtgever, maar de financiering berust bij de deelstaat, Noordrijn-Westfalen, die verantwoordelijk is voor de bescherming tegen hoog water. Later worden de kosten verrekend met de centrale regering in Bonn. Om die reden heeft de deelstaat de supervisie over het werk, hier bij Orsoy in de persoon van Erik Buschhüter, die het departement van milieu vertegenwoordigt.

Het is de bedoeling, zo blijkt uit zijn toelichting, dat acht van de elf bekkens worden aangelegd als uiterwaarden, die vanzelf onder water komen te staan zodra de rivier een bepaald peil heeft bereikt. Dat betekent dat de dijk wordt teruggelegd. Landinwaarts laat men een nieuwe waterkering verrijzen, waarna de bestaande wordt afgegraven. “Dit systeem”, aldus Buschhüter, “heeft grote ecologische voordelen, omdat de nieuwe uiterwaard volledig deel uitmaakt van de Rijnbedding, waardoor de natuur weer kan opbloeien.”

POLDER

Zo gebeurt het ook bij Orsoy, waar 220 hectare ruimte, goed voor tien miljoen kubieke meter overtollig water, wordt gewonnen. Alleen zal hier de oude dijk aan de bovenstroomse kant voor bijna één derde deel blijven liggen. Deze oplossing is gekozen met het oog op de waterstaatkundige toestand en de belangen van de scheepvaart. Het restant van de oude dijk moet de stroming ter plaatse, waar de Rijn een scherpe bocht maakt, blijvend begeleiden. “Maar voor de natuurontwikkeling heeft dit geen enkel nadelig gevolg”, verzekert Buschhüter. “Het water kan hier te allen tijde vrijelijk in- en uitstromen.”

In drie van de elf gevallen dwingen lokale omstandigheden tot een ander systeem. Ook daar komt landinwaarts een nieuwe dijk, maar laat men de oude in zijn geheel bestaan, zodat er een polder ontstaat. De oude dijk wordt, simpel gezegd, uitgerust met een door de mens te bedienen schuif, die opengaat als het water tot grote hoogte stijgt. Zo overstroomt de achterliggende polder tot aan de nieuwe dijk. Via een andere schuif wordt later, als het peil van de Rijn is gedaald en de gevaren zijn geweken, het water weer op de rivier teruggeloosd.

Overal waar de opvangbekkens komen, of ze nu de vorm van een uiterwaard of polder hebben, moeten de bewoners vanzelfsprekend wijken. Buschhüter: “Om te beginnen zijn voor dit doel gebieden met zo min mogelijk bebouwing gekozen. Ze dienen hoofdzakelijk voor de landbouw en kennen slechts verspreide boerderijen. Die moeten verdwijnen, dat staat als een paal boven water, en de boeren moeten worden uitgekocht, maar dat gebeurt uitsluitend op vrijwillige basis. Wie persé niet wil, kan blijven. In dat geval wordt een kleiner bekken gemaakt of zoeken we elders de nodige retentieruimte. Dwang past niet in ons rechtssysteem, zo luidt de filosofie van Noordrijn-Westfalen.”

LOKALE OPPOSITIE

In het Land van Orsoy gaat het om zeven gezinnen, die elders woonruimte en vervangende grond aangeboden kregen. Ze hebben volgens Buschhüter “dank zij een zeer redelijke schadevergoeding” stuk voor stuk met hun verhuizing ingestemd. Problemen doen zich wel voor in de Bylerwaard vlakbij de Nederlandse grens achter Nijmegen, waar tien boeren zich tegen de transformatie van hun landerijen verzetten. “Maar daar verkeren de plannen nog in een pril stadium. Als de lokale oppositie niet luwt, zou het best kunnen zijn dat we de Bylerwaard laten vallen en daarvoor in de plaats een andere locatie zoeken.”

Dat Nederland als belanghebbende niet aan de uitvoering meebetaalt, wordt op de koop toegenomen. Buschhüter: “Ook dat is een filosofie van Noordrijn-Westfalen: als wij niets doen voor de Unterlieger, de gebieden die stroomafwaarts liggen, kunnen we ook niet verlangen dat ze zich stroomopwaarts voor ons inspannen.”

SMELTWATER

Hij doelt in het bijzonder op de Zuid-Duitse deelstaten Baden-Württemberg en Rijnland-Palts, die vier opvangbekkens volgens het poldermodel in gebruik hebben, terwijl er nog negen moeten bijkomen. Het nut van deze bassins bleek bijvoorbeeld in 1988, toen er een overvloed aan smeltwater uit Zwitserland afkwam en de schuiven voluit werden opengezet. Die ingreep verlaagde de waterstand ter plaatse met twintig centimeter en in Noordrijn-Westfalen met zeven centimeter. Ten tijde van de bijna-ramp in februari 1995 hoefden de Zuid-Duitse overlaten niet in werking te treden, omdat de bandjir van toen te wijten was aan zware regenval in Noord-Frankrijk en Midden-Duitsland, waardoor met name de Moezel een ongekende piek in de waterafvoer vertoonde.

Inmiddels heeft ook Nederland plannen om stukken rivierdijk landinwaarts te verleggen en zo de bedding aanmerkelijk te verbreden. Eén daarvan heeft betrekking op de Hondsbroekse Plij bij Westervoort aan het begin van de Gelderse IJssel, een stuk land dat pas tien jaar geleden werd ingepolderd. Als het ooit tot uitvoering komt, kan een vloedgolf aldaar met circa twintig centimeter worden verlaagd. Voor de Bakenhof aan de Nederrijn bij Arnhem en het Munnikenland aan de Waal bij slot Loevestein overweegt Rijkswaterstaat een soortgelijke ingreep.

Maar alles bij elkaar is het nog maar een zeer beperkte poging tot herstel van de oude, ideale toestand. Uit een pas verschenen rapport van de Internationale Rijncommissie: “Oorspronkelijk bestond er langs deze rivier zo'n 8.000 vierkante kilometer aan natuurlijke overstromingsruimte, waarvan de helft in het Deltagebied. Nu staat de Rijn bij hoog water nog maar vijftien procent van dat oppervlak ter beschikking; de rest is allemaal ingedijkt.”