Joachim Gauck, beheerder van de Stasi-archieven: 'Een Duitser kan niet in chaos leven'

Van wraakgevoelens heeft hij nauwelijks iets gemerkt. De ontsluiting van de archieven van de voormalige Oost-Duitse geheime dienst, de Stasi, is 'een loutering' voor de Ossies. Joachim Gauck, beheerder van het geopende archief, over Duitse gehoorzaamheid en het mengsel van angst en gewichtigdoenerij: 'Spitzeln gaf je het gevoel dat je iets betekende.'

Hij oogt als een zielzorger, Joachim Gauck. Hij is breedgebouwd, enigszins gedrongen, joviaal, welbespraakt en gedreven. Als evangelisch predikant in het provinciaalse Hanzestadje Rostock leidde hij de wekelijkse politiekgetinte kerkdiensten die zijn gemeente klaarstoomde voor de Wende. Gauck hoorde in zijn geboortestad tot de oprichters van de oppositiebeweging Neues Forum.

Nu is hij hoofd van de Gauck-Behörde, zoals de instelling met de lange naam en met de taak de Stasi-archieven voor de burgerij te ontsluiten, in de volksmond is gaan heten.

De Gauck-Behörde is in Duitsland een begrip geworden en Gauck een autoriteit. De gewezen dominee ontvangt ons in hemdsmouwen op zijn kantoor, in een van de voormalige Stasi-gebouwen van Oost-Berlijn. Hij is net in Zuid-Afrika geweest, bij de Waarheidscommissie. Met bisschop Desmond Tutu vergeleek hij de manieren waarop Duitsland en Zuid-Afrika hun verleden verwerken. Ook de Roemeense regering heeft hem advies gevraagd. Want nergens gaat men zo rigoureus te werk bij de openstelling van archieven van de veiligheidsdienst als in Duitsland. Volgens het Stasi Unterlagen Gesetz (1992) heeft ieder individu het recht te weten of de Stasi (het ministerie voor staatsveiligheid in de voormalige DDR) een dossier over hem of haar heeft aangelegd, en recht op inzage in zijn dossier.

Gauck (57) zegt zelf niet snel geschokt te zijn. Bij het lezen van zijn eigen dossier (vier banden) was er maar één zaak die hem raakte. Een van zijn vertrouwelingen in zijn kerkelijke jongerengroep bleek informant te zijn geweest. Dat trof hem pijnlijk. Maar om nou te zeggen dat hij van zijn stoel viel, nee.

“De eigenlijke cultuurschok is voor mij toch de nazitijd geweest. Dat het hoog-culturele Duitsland van 1930 zoiets heeft kunnen voortbrengen. De Duitse communistische dictatuur was niet half zo erg als de nazidictatuur. Desalniettemin mogen we niet vergeten dat de DDR niet alleen stapels dossiers heeft nagelaten, maar ook een paar duizend doden, in de Stalintijd en bij de Muur. Dat mag je niet bagatelliseren, om me maar eens even tot links te wenden.”

Veeleer verbaasde Gauck zich erover dat de Stasi kennelijk nog geen 300.000 mensen nodig had, 90.000 beroepsfunctionarissen en 175.000 IM's (Inoffizielle Mitarbeiter), om een volk van 16 miljoen in de gaten te houden. “Onderdrukkingsstrategieën veranderen met de tijd. Hitler en Stalin gebruikten naakte repressie, moord, massale terreur. De latere dictaturen veranderden van techniek. Ze hadden een volgzaam volk nodig, dus zetten ze in op massale informatieverzameling. Zo ontstond bij de bevolking een Orwelliaans gevoel, dat je ieder moment in de gaten werd gehouden. Dat werkt verlammend en verandert de burger van een citoyen in een gehoorzame collectivist.

“Camus heeft eens gezegd: Kniel neer en je zult geloven. Mensen houden zichzelf graag voor de gek. Sich eine Sache schön gucken, noem ik dat. Dat is niet alleen bij Duitsers zo. Veel intellectuelen beperken hun blik tot het kamp waartoe ze behoren. Selectieve waarneming is ook in de vrije wereld een enorm probleem. Maar in een dictatuur wordt het een overlevingsprincipe.

“Het interessante is dat problemen exclusief aan dictaturen worden toegedicht, die in de gewone maatschappij ook voorkomen. Vervreemding, verraad, leugens, een onderdanenmentaliteit, dat alles bestaat ook in een democratie. Wat een dictatuur zo gevaarlijk maakt, is dat ze deze dingen inbouwt in haar systeem van ongelegitimeerde macht.”

Dictaturen gaan ten onder aan verstarring en het geloof in eigen onfeilbaarheid. Zo kwam ook het einde van de DDR in zicht. Uiteindelijk geloofde zelfs de top er niet meer in en toen was het nog maar een kwestie van tijd. Gauck, die zelf in de DDR nooit lid geweest is van de partij, noch van de communistische jongerenorganisaties zoals de FDJ en de Jonge Pioniers, vindt het grootste probleem dat zijn landgenoten vijf jaar na de eenwording nog steeds zo hardleers zijn. “Ze kijken liever nostalgisch terug. Mensen gaan met hun herinneringen altijd hetzelfde om: ze laten de trauma's weg, en denken alleen aan de mooie dingen, niet aan de verdrietige. Voor je geestelijk welzijn is dat zinvol, maar als een natie zo met haar verleden omspringt dan laat ze de dingen weg die ze juist moet verwerken. Politiek en economisch gezien was de eenwording goed, maar mentaal is het een enorme belasting.”

Gauck geeft een voorbeeld. Hij kent een jonge vrouw die vroeger bij hem in de groep zat, in de kerk. Ze was fel tegen het systeem. Ze wilde eigenlijk naar het Westen, maar voelde er niets voor jarenlang op een visum te wachten. Dus werd ze deken.

“Na de laatste verkiezing voor de Bondsdag vroeg ik wat ze had gestemd. Ze zei: PDS, de Partij van Democratisch Socialisten. Ik was verbijsterd en vroeg om haar politieke argumenten. Die heb ik niet, zei ze, maar ik voelde me zo heimatlos. Daar werd ik zo treurig van. 95 procent van de PDS bestaat uit oude communistische SED-leden, van wie ze walgt. En ze kiest waar ze van kotst omdat het haar vertrouwd is! De vrijheid is haar vreemd en maakt haar bang.

“In Bonn denken ze dat iedereen hier nog rood is, maar het heeft helemaal niks met ideologie te maken. Je vrij voelen kost moed en je weet niet of je er uiteindelijk beter van wordt.

“In het vroegere systeem werd voor alles gezorgd. Men heeft hier het wezen van de Untertan bijna genetisch meegekregen. Het hele dierenrijk staat in het teken van onderwerping en de geschiedenis van de mensheid is ook niet hoofdzakelijk door Hollanders en Amerikanen geschreven. Als je gehoorzaam bent, wordt er voor je gezorgd. Alles heeft zijn ordening. Duitsers houden erg van gehoorzaamheid.”

Over die Duitse hang naar recht en orde is heel wat gespeculeerd. Gauck haalt een historische theorie aan, die deze achting voor de overheid terugvoert op de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), de finale van de Europese godsdienstoorlogen. Duitsland, het slagveld van alle rondtrekkende legers, bleef na de vrede van Westfalen kaalgeslagen achter. “Waar geordende verhoudingen weer hun intrede doen, wordt niet meer gemoord, verkracht en ingebroken”, zegt Gauck. “Volgens deze theorie slepen de Duitsers sinds het einde van de Dertigjarige Oorlog een oeroud trauma met zich mee, waardoor ze, heel anders dan bijvoorbeeld de Polen, positief denken over de overheid. Polen kent ook geen burgermaatschappij. Maar de Pool heeft een natuurlijke behoefte aan ophef en vrijheidsstrijd. Als daaruit chaos ontstaat, wel, dan leeft hij gewoon met die chaos. Dat is voor een Duitser onmogelijk, hij kan niet in chaos leven. Nog liever heeft hij een dictator.”

Meer dan 1 miljoen burgers van de DDR hebben bij de Gauck-Behörde inzage gevraagd in hun dossiers. Behalve de opzienbarende en spectaculaire gevallen die de pers hebben gehaald, zijn dat voornamelijk huis-tuin-en-keukengeschiedenissen. Wat Gauck trof, was hoe realistisch mensen blijken te zijn. “Ze weten dat er alom verraad is. Wat hooguit verwondert, is hoe je je kunt vergissen. Niet het type dat er zo communistisch uitzag bleek je bespioneerd te hebben, maar je vriend of de man met wie je in bed lag.

“Het waren niet allemaal verraders. Spioneren gaf je ook het gevoel dat je wat betekende. Eigenlijk ben je een nul, maar door te beslissen wat je over wie bericht, wie in het dossier mag en wie je eruit streept, kun je op de achtergrond een beetje meeheersen. Het is daarnaast vooral de angst om nee te zeggen. Het is een mengsel van angst en gewichtigdoenerij. Spioneren is een typisch mannelijke verleiding. Significant meer mannen dan vrouwen hebben gespitzelt. En dat heeft niets te maken met rolpatroon, want in de DDR hadden bijna alle vrouwen een baan. Vrouwen neigen ertoe met hun gevoel of met hun hart eigen beslissingen te nemen en niet te doen wat de verbindingsofficier ze opdraagt.”

Gauck heeft nooit getwijfeld aan het nut en de noodzaak van het openstellen van de archieven. “Door de Stasi-dossiers wordt de politieke bevrijding op straat gevolgd door een geestelijke bevrijding. Je kunt je familie en vrienden weer recht in de ogen kijken, je weet weer wie je kunt vertrouwen. En dan kun je ook afscheid nemen, je dossier dichtslaan. Het heeft iets van een definitief einde.”

Psychisch is de schade van de dictatuur groot geweest. Maar de burgers hebben er in ieder geval zelf een einde aan gemaakt. “Wij protestanten zijn natuurlijk trots op de vreedzaamheid van onze revolutie, dat hebben we van Martin Luther King geleerd. Maar psychologen roepen dan meteen: jullie zijn helemaal niet zo vreedzaam, jullie waren gewoon agressionsgehemmt. Dat is nu eenmaal zo in een dictatuur, dat er in je eigen gevoelshuishouding wordt ingegrepen. En je verleert het je authentieke gevoelens te volgen. Mijn vader werd in 1951 naar Siberië gedeporteerd. Tweeëneenhalf jaar bestond hij gewoon niet meer, geen woord over hem. Ik had moeten haten, maar er werd van mij verwacht dat ik vriendelijk keek. Zo heeft deze kleine jongen al vroeg geleerd zijn gevoelens van verdriet, van woede, van haat te domesticeren. En wanneer mensen jarenlang hun gevoelens temmen, dan ontstaat een soort gelijkvormigheid. Je leest weinig af aan hun gezicht. Je ziet aan de bewegingen van mensen, dat ze uit het Oosten zijn. Ik herken ze tot op de dag van vandaag, in de nevel, in het donker.”

Op de vraag of hij zelf ooit bang geweest is, zegt Gauck na enig stilzwijgen en een zucht: “Ja, toen ik elf was en mijn vader werd weggehaald. Ik had nog drie kleine zusjes. Toen leerde ik dat je niets bent en dat je van het ene moment op het andere alles kan overkomen.”

Nooit mogen de dossiers weer dicht, vindt Gauck. Er komt een moment dat er een streep getrokken moet worden onder het verleden, maar mensen moeten te allen tijde toegang houden tot hun persoonsgegevens. “Van West-Europa en Amerika hebben we geleerd dat de burger recht heeft op informatie. De informatie over mij hoort in eerste instantie aan mij toe. De Bondsrepubliek had mij niet kunnen verbieden informatie over mezelf te zien, die onrechtmatig is verkregen.Daarmee zouden ze het wederrechtelijke gedrag van de DDR gelegitimeerd hebben.”

Hoewel het aantal dramatische confrontaties op de leeszaal van het Stasi-archief langzaam afneemt, heeft menigeen het natuurlijk toch moeilijk met de documenten. “Soms staan mensen op en gaan naar het toilet om een sigaret te roken of hun tranen te verbergen. Onze medewerkers neigen ertoe zich ook een beetje als zielzorger te gaan gedragen. Ze zeggen: we zijn toch geen bureaucraten! Ik verbied ze dat, daar zijn we niet voor opgeleid. Wij worden van belastinggeld betaald voor een heel specifieke opdracht.”

Soms komen de archiefmedewerkers hem om raad vragen, wanneer het om heel schrijnende gevallen gaat. Dat levert vaak lastige dilemma's op. “Wij zeggen heel duidelijk: jullie zijn geen Stasi-officieren, maar advocaten voor deze mensen. De informatie is van de persoon in kwestie. Ik heb eens een dossier onder ogen gehad van iemand van de kerk die op weerzinwekkende wijze gechanteerd werd met zijn homoseksualiteit. Noch zijn vrouw noch de kerk waren op de hoogte. Hij was anticommunist, maar is IM geworden uit angst. Dat is zo vreselijk treurig. Had hij twintig jaar later geleefd dan had hij misschien heel anders gehandeld. De man is overleden en heeft zijn dossier nooit gezien. Maar medewerkers vroegen wat ze doen moesten als zijn vrouw of kinderen het dossier zouden opvragen? Dat is een heel moeilijke kwestie. Op grond van de wet kan ik het hun niet weigeren. Normaal heeft alleen de persoon zelf het recht zijn dossier in te zien, maar als hij dood is, mogen zijn familieleden er ook in. Het enige wat je doen kunt, is het hun afraden. Het is natuurlijk vreselijk als zijn echtgenote uit het Stasi-dossier moet lezen wat haar man haar zelf niet kon vertellen.”

Met vallen en opstaan, en na ruim vijftig jaar dictatuur, moeten de Ossies nu opnieuw beginnen. Dat valt niet mee. Er is veel woede en verbittering, veel teleurstelling en het gevoel door de Wessies gekoloniseerd en gekoeioneerd te worden. Het gaat lang duren, denkt Gauck, die er zelf niet over piekert het Oosten in de steek te laten. “Het is een heel moeilijke opgave voor de Duitse regering. Want die mate van zekerheid die de Oost-Duitsers willen, kan een democratische regering ze niet geven. Let wel: er zijn in West-Berlijn nu meer werklozen dan in Oost-Berlijn! Maar de reactie is totaal verschillend: in het Westen is men eraan gewend, in het Oosten veroorzaakt het een fundamenteel gevoel van onzekerheid. Het gekke is dat het niet eens zozeer de werklozen zijn die bang zijn voor de toekomst. Ik woon in de buurt van de Brandenburger Tor. Hier wonen veel ambtenaren. Zestig procent kiest PDS en daar is nauwelijks een werkloze bij. Als ik lezingen houd, vraag ik de Ossies: zijn jullie lid van een partij of vakbond? Nee? Hoe wil je dan wat veranderen?

“Eerst was het Kohl de Grote en nu krijgt hij overal de schuld van. Welke politiek hij ook had gevoerd, de Oost-Duitsers zouden zich er ongelukkig over hebben gevoeld. Het verschil tussen verwachting en realiteit was te groot. In West-Duitsland was men de eerste vijf, tien jaar na de oorlog straatarm. Ze zijn met niets begonnen. In de jaren vijftig at een West-Duitser echt geen zuidvruchten, zoals de Ossies nu. In Oost-Berlijnse wijken als Hellersdorf en Marzahn, echte kruitvaten, zou je een hoog PDS-gehalte verwachten, maar je vindt dat juist in Berlin-Mitte, terwijl ze daar niet eens slecht leven. In Kreuzberg in West-Berlijn, waar het echt pure ellende is met bijna eenderde van de bevolking werkloos, zeggen ze: ach, dat komt wel weer goed, terwijl de Hellersdorfer steen en been klaagt.”

Ach ja, dat klagen van de mensen. Weer keren we terug op het thema van het selectieve geheugen. “Ik praat sinds kort met mijn vader. Die spreekt dan schande van de Love Parade in Berlijn. Enkele meisjes liepen met blote borsten rond. Ik zei: ik hoor voor het eerst dat jij dat niet graag ziet! En toen jij zo oud was hebben jullie in Berlijn toch ook schitterende toneelstukjes opgevoerd, die Reichsparteitage heetten. Toen was hij beledigd: dat was geen vergelijking, toen heerste er rust en orde. Als ik de bal dan terugkaats, dat het niet die schattige jongens en meisjes van de Love Parade zijn die ons Auschwitz gebracht hebben, maar jullie Reichsparteitage, begrijpt hij niet wat ik bedoel. Dat is voor mij werkelijk een raadsel, dat mensen onder extreme omstandigheden de dictatuur verkiezen boven de democratie met zijn kleine problemen. In 1948 was nog altijd 57 procent van de Duitsers ervan overtuigd dat het nationaal-socialisme au fond een goede zaak was, die alleen slecht in de praktijk is gebracht.”

“Als Oost-Duitser ben ik eigenlijk heel opgetogen wat de West-Duitsers tot stand hebben gebracht. Een goed Duitsland, een democratisch Duitsland, een vreedzaam Duitsland. Maar dat willen ze helemaal niet horen, omdat ze zich zo slecht voelen. Eerst wilden ze de schuld niet hebben. Toen hadden de anderen de schuld. Toen kwamen de jaren zestig en sindsdien zijn we met zijn allen alleen nog boos en schuldig en dat blijft maar duren! Dan komt er een Goldhagen, die een mooie racistische theorie heeft, en kijk eens hoe dankbaar de linkse West-Duitsers zijn: godzijdank krijgen we er weer van langs. Het is neurotisch.”

Tot het jaar 2000 blijft Gauck hoofd van de Gauck-Behörde. Dan zit zijn termijn erop en moet hij plaatsmaken. Terug naar Rostock wil hij, gewend aan de Berlijnse metropool, niet meer. Misschien de politiek. Hij heeft in alle bescheidenheid in ieder geval het gevoel dat hij tussen Ossies en Wessies nog wel een bemiddelende rol te spelen heeft. Maar het archief moet blijven bestaan. “Velen zeggen: Gauck, waarom beschouw je die dossiers toch als het evangelie? Het is de waarheid niet, het waren allemaal oplichters. Dan zeg ik stop: kijk naar de archieven van Hitler en Stalin. Zij hebben nooit geloofd dat ze eens ter verantwoording zouden worden geroepen. Alle dictaturen zijn er trots op hun wandaden te documenteren. Waarom? Misschien omdat velen zich willen indekken. Dit en dit is er gebeurd, en dat niet. Dat geeft bescherming. Dictatoren denken altijd dat ze het eeuwige leven hebben. Na de bezetting van de Stasi-centrale in Rostock zat er in het Huis der democratie de volgende dag een Stasi-officier bij me. Hij keek me totaal verbijsterd aan en zei: meneer Gauck, dat er ooit zoiets zou kunnen gebeuren ging ons voorstellingsvermogen te boven. Wij waren zo overtuigd van onze overwinning, dat we dit einde nooit hadden kunnen bedenken.”

De ontsluiting van het Stasi-archief

Achter twee stalen deuren gaat een kelder schuil die vol ligt met duizenden bruine pakpapieren zakken vol snippers. Het zijn de restanten van tienduizenden dossiers die de medewerkers van de Stasi vlak na de val van de Muur aan het vernietigen waren toen ze gestoord werden door leden van de mensenrechtenbeweging. De kelder is met koperplaten betimmerd. Hier wilde het Ministerium für Staatssicherheit een nieuwe computercentrale installeren, en het isolerende koper diende om de electronica af te schermen voor electromagnetische straling van buitenaf. Het is een onwezenlijke ruimte, waarin de stoffelijke resten van de DDR-dictatuur bijeen zijn gebracht.

Van de 17.000 zakken met papiersnippers zijn er na screening 5.800 overgebleven, met documenten die men denkt te kunnen herstellen. Eén zak is tachtig dagen werk voor één man. Tussen de papieren zakken staan glazen weckflessen met gele stofdoeken erin. Geurvlaggen van verdachte burgers. Tijdens huiszoekingen werd de geur van de bewoners op een stofdoek bewaard, om honden op het spoor te kunnen zetten. De Stasi had op haar Geruchskonserven zelfs patent aangevraagd.

Honderdtachtig kilometer Akten telt het Stasi-archief, dat bestaat uit de Berlijnse Centrale in de Magdalenenstrasse, waar Stasichef Erich Mielke zetelde, en veertien lokale Stasi-afdelingen verspreid over de DDR. Na de hereniging van de twee Duitslanden in 1990 is het archief opengesteld. Iedere burger heeft volgens het Stasi-Unterlagen-Gesetz het recht zijn dossier in te zien. Ook informanten krijgen desgevraagd inzage in hun dosier, maar niet in hun eigen Spitzelberichte. Sinds 1992 zijn er meer dan een miljoen aanvragen van burgers geweest.

In het begin was het echte Reinigungsarbeit, zegt magazijnbeheerder Andreas Steindl. Dat leidde tot emotionele taferelen. Nu wordt het langzaamaan routine. Vlak na de Wende had het gebouw iets lugubers. Overal was ondoorzichtig glas en hingen zwarte gordijnen. Men heeft zijn best gedaan het lichter te krijgen, maar het blijft een bedrukkende betonkolos. Steindl toont voorbeelden van de dossiers die over de slachtoffers verzameld werden. De Operative Persons Kontrolle bestond uit drie delen: het vooronderzoek naar de persoon in kwestie, met biografische gegevens, het dossier met de rapportages van de IM's (Inoffizielle Mitarbeiter, de informanten van de Stasi) en een boekhoudkundig deel met zuiver financieel-administratieve papieren. Het grootste dossier dat werd aangetroffen telt driehonderd banden. In de centrale cartotheek zijn zes miljoen namen ingevoerd.

De Westduitse jurist Michael Zabel beheert de leeszaal. Hij heeft de Sachbearbeiter (functionarissen die de dossiers aan burgers toewijzen) aangenomen. “Het beroep Stasi-Auflöser bestond niet en dus hebben we mensen uit allerlei beroepen aangetrokken, liefst wat ouder, vanwege de levenservaring. Sommige mensen komen hier werken omdat ze willen helpen, velen zoeken gewoon een baan. We nemen geen mensen met een Stasi-verleden of mensen die te dicht op het systeem hebben gezeten.”

Zabel vindt het de boeiendste baan van zijn leven. “Dit is uniek werk. Het is niet eerder voorgekomen dat een veiligheidsdienst zijn geheimen zo totaal prijs moest geven. Het blijft fascinerend om een dictatuur bloot te leggen.” De informatie die de IM's over hun slachtoffers verzamelden lijkt vaak alleen maar banaal. Minutieus werd gedocumenteerd hoe laat iemand naar zijn werk ging, welke adressen hij aandeed, met wie hij sprak, ja zelfs welke winkels hij bezocht. Toch bestrijdt Zabel dat het Spitzelsysteem uit louter banaliteiten bestond. “Het was een dictatuur van spitsburgers, maar vergeet niet dat die banaliteiten het instrument van een dictatuur vormden. Het betekende beschadiging van je carrière, psychische druk, afluisteren, inbreuk op je seksleven, maar ook veel draconischere maatregelen als arrestatie en gevangenisstraf.”

Dat de ene helft van de DDR-bevolking de andere helft bespioneerde, is volgens Zabel een wijdverbreid misverstand. Op zestien miljoen inwoners hebben ongeveer 300.000 mensen direct of indirect voor de Stasi gewerkt. “De DDR-bevolking was geen volk van informanten. Het Ministerium für Staatssicherheit heeft ook nooit geprobeerd om alles onder controle te krijgen. Dat was ook niet nodig. De bevolking ging ervan uit dat de Stasi alles wist. Dat was niet zo, maar het werkte wel.” Waar de ongeveer 100.000 vaste Stasimedewerkers gebleven zijn is onbekend. Alleen bij overheidsdiensten wordt nog aan antecedentenonderzoek gedaan, in privébedrijven willen ze, zo denkt Zabel, Stasimensen vaak graag hebben wegens hun punctualiteit.

Natuurlijk roepen de dossiers bij sommige bezoekers wraakgevoelens op. Dat heeft vooral in het begin tot woede-uitbarstingen geleid. Toch is het openstellen van de archieven eerder louterend gebleken, zegt Zabel. Peter Polster, ingenieur uit Blankenfelde bij Berlijn, koestert geen wraakgevoelens. Hij komt net uit de leeszaal, waar hij zijn dossier heeft kunnen inzien. Zijn aanvraag dateert van 1992, pas nu was hij aan de beurt. Polster kreeg in de jaren tachtig geen toestemming om voor een groot gasproject van zijn ingenieursbureau naar China te gaan. Hij was niet 'vrijgegeven' voor reizen naar de 'niet-socialistische economische systemen', waar China in de gangbare vriend-en-vijand-indeling vreemd genoeg toe gerekend werd. Na de Wende vroeg hij zich af waarom. “Ik wilde weten welke informatie eventueel een rol had gespeeld bij die afwijzing. Ik wilde ook weten wie mij bespitzeld had.” Na bestudering van zijn dossier kan hij een zekere teleurstelling niet onderdrukken. De map, die honderd pagina's besloeg, bevatte informatie over de familieverhoudingen, buitenlandse relaties, religieuze verbindingen, privébezit. Ongeveer de helft van de gegevens kwam rechtstreeks van zijn bedrijf, dus dat was algemeen bekend materiaal. Hij kreeg ook de namen van zijn informanten. “Het zijn voornamelijk mensen uit mijn dorp, met wie ik persoonlijk nooit veel contact had. Och nee, ik voel niks voor een confrontatie. Ik vond ze vroeger niet interessant en dat vind ik ze nu nog steeds niet. Wat me nog het meest verbaasde was dat er zo veel fouten in het dossier stonden. Kennelijk was men erg goedgelovig jegens de informanten. Ze hebben kwantiteit met kwaliteit verwisseld.”