Ibrahim

Er komt tijdens ons gesprek een moment waarop ik afstand van Ibrahim neem en - terwijl hij verder vertelt - denk: is hij wel goed snik? Wat heeft de oorlog in Bosnië met deze man gedaan?

We zitten in een restaurant in Zenica, de stad waar ik na een traject wandelend te hebben afgelegd, naar terugkeer om uit te rusten en mijn aantekeningen uit te werken. We zitten met z'n achten aan tafel, en ik zit toevallig naast Ibrahim. Hij en zijn vrouw zijn te laat gekomen - een uur - en wij hebben ons eten al op. Bij binnenkomst hebben mijn kennissen direct besteld - in Nederland zouden we toch zeker een halfuur gewacht hebben.

Maar Ibrahim en zijn vrouw zeggen al gegeten te hebben en willen alleen iets drinken. Als ik later hoor dat zij in de Zeljezera (de hoogovens van Zenica) 80 mark per maand verdient, en hij met het repareren van televisies niet veel meer (want de mensen hebben geen geld om hun TV te laten repareren), begrijp ik waarom ze te laat zijn gekomen en thuis al hebben gegeten. Zij hebben zich zelfs niet willen laten tracteren.

Ibrahim is een man die zacht praat, en beschaafd, die niet de grove woorden gebruikt die zoveel Bosniërs voor in de mond liggen. Telkens weer vraagt, controleert hij of ik hem goed begrepen heb, of ik dit of dat woord ken. Voor de oorlog werkte ook hij in de Zeljezera, als chef van een groep vrouwen, die, vertellen mijn kennissen er lachend tussendoor, zodra hij één van hen een opdracht gaf, hem zeiden dat hij zijn vrouw misschien kon bevelen maar niet hen. Ibrahim glimlacht erbij.

Mijn kennissen hebben de oorlog in Zenica niet meegemaakt - gevlucht - maar Ibrahim en zijn vrouw wel. Hij vertelt mij dat in de jaren '92, '93 en '94 dagelijks granaten op Zenica werden afgevuurd - vanaf de berg Vlasic door Bosnische Serviërs, en vanuit het stadje Vitez door Bosnische Kroaten. Zenica was in handen van moslims; het overgrote deel van de bevolking was en is moslim, als Ibrahim. “Niet zoveel granaten als in Sarajevo”, zegt Ibrahim, “iedere dag maar een paar.” Toch heeft ook hier een granaat in het centrum van de stad dertien levens gekost. Ik vraag hem wat de bedoeling eigenlijk was van dat onregelmatige bombarderen en verder niets, geen aanval of wat dan ook. “Dat was bedoeld om ons leger op afstand te houden. Zodra ons leger zou oprukken zouden ze de stad veel intensiever bombarderen.”

Maar er waren niet alleen de granaatinslagen, er was ook honger. Wat in de stad aan voedingsmiddelen binnenkwam, kwam via de Bosnisch-Servische linies - Bosnisch-Servische militairen moeten er goed aan hebben verdiend. Een kilo meel 30 mark, een pakje sigaretten 15. Ook elders in Bosnië werd honger geleden, zegt Ibrahim, “maar in Zenica was het het ergst”. Inwoners van Sarajevo, zeg ik, hebben mij juist verteld dat de honger in Sarajevo het ergst was. “Maar zij hadden hun tunnel, er was een uitweg naar de buitenwereld, wij hadden niets.”

“Ik denk”, vervolgt hij, “dat onze hongersnood een experiment van het Westen was.” En het is op dit moment dat ik aan Ibrahim begin te twijfelen. Een experiment? Van 'het Westen?' “Ja, hoe lang houden mensen het vol? Want zie je, de hulporganisaties die hier waren hadden wel te eten, maar de bevolking niet. Er kon dus wel eten doorkomen. Ze hebben ons met opzet niets gegeven.”

Toch was de situatie in Sarajevo, geeft Ibrahim toe, slechter dan die in Zenica, wegens het bijna onophoudelijke bombarderen. Ibrahim zegt dat hij zelf aan de granaatinslagen - je weet nooit waar en wanneer dat gebeurt - een trauma heeft overgehouden. Nog altijd overvalt hem van tijd tot tijd de angst die hij ook toen voelde, voelt hij de drang zich te verschuilen, op andere momenten voelt hij zich, zonder duidelijke aanleiding, depressief. Beide - angst en depressie - werken verlammend. Hij is er voor onder behandeling bij een psychiater.

Wat nu nog te geloven? Ik weet het niet meer. Als Ibrahim over zijn ervaringen vertelt, ben ik geneigd hem zonder voorbehoud te geloven; hij heeft evenmin de neiging zijn eigen lot als het allerellendigste te beschouwen, wat hem nog betrouwbaarder maakt; maar de gedachte dat het Westen in Zenica met hongersnood heeft willen experimenteren, vind ik absurd. Heeft de oorlog hem paranoïde gemaakt? Is dat dan het effect op een redelijk mens?

Tot slot zegt hij glimlachend: “Ik heb je nu mijn verhaal verteld. Anderen zullen je weer andere verhalen vertellen. Je zult tijdens de maanden dat je hier bent, honderden verhalen horen. Luister ernaar, leg ze op een weegschaal, en vorm je eigen oordeel.”